AFTER DINNER

After-dinner

De stemmen gonzen als bijen rond zijn hoofd.  De gasten, vrienden,  hebben genoten van het eten. De begeleidende witte en rode wijn versterkt het voldane gevoel. Er heerst een lome, doezige stemming.

Nu is het zijn beurt. Olaf staat op en loopt rustig naar de keuken. Liefkozend raakt hij in het voorbijgaan het apparaat aan. Vanuit zijn linker ooghoek ziet hij een paar vlekjes, kleine oneffenheden. Hij pakt een schone doek en poetst het weer schoon. Alles blinkt en glimt. Zijn hart zwelt, met een trotse blik kijkt hij naar zijn espressomachine.

De kopjes, verschillend van kleur, worden met kokend water gevuld op het aanrecht gezet. Hij weet al precies wie welk kopje krijgt. Hij draait het deksel van de koffiemolen open. De diepdonkere geur van de Colombiaanse koffiebonen, stijgt hem naar het hoofd.

Met het borsteltje verwijdert hij koffiedrap uit de filter aan de rechterkant van de machine. De bonen maalt hij ruim voorbij stand zes, iets minder dan stand zeven. Hij let goed op dat de kopjes tot op juiste hoogte met koffie worden gevuld. De kopjes worden gedroogd en op een van tevoren klaargelegd keukenrolpapiertje gezet.

Tevreden kijkt hij naar het dunne crème-bruine schuimlaagje op de bovenkant van de koffie, vol, romig en een beetje vettig.

Hij gunt zijn gasten het allerbeste, hij draagt ze een warm hart toe.

Madelieven

Madeliefje, Bloem, Bloesem, Witte, Bellis Filosofie

heet het verhaal voor vandaag. Bedankt voor jullie reacties op mijn vraag voor nieuw schrijfvoer. Vandaag dit verhaal dus, met het thema hond-baas. Er zijn nog andere opties, waarover ik kan en ga schrijven. Maar eerst nu graag jullie aandacht voor…

Madelieven

Stap        stap            stap Stap- stap –stap- stap- stap Mijn baas is een lieve bazin. Maar ze loopt wel snel. Heel snel. Altijd in de starthouding. Op weg naar het éen of ander. Vaak naar feestjes. Mijn bazin is dol op feestjes. Op dansen. Mensen weten haar wel te vinden. Komen graag bij haar. Ze is gul. Gul in het geven. Ook aan mij. Ik houd van haar. Maar ik ben niet blind voor haar foutjes. Neiging tot een beetje slordigheid tot verdriet van haar man. Te volle agenda’s. Soms denk ik wel eens ‘ze rent haar leven voorbij’. Maar dat vindt zij niet. Zij geniet, zij leeft het leven. Ik probeer haar soms af te remmen, loop met mijn lome langzame hondenpassen. Het helpt niets.

S ’nachts hoor ik haar wel eens zuchten. Of hoor ik de zoveelste bladzijde van een boek omslaan. Met enige regelmaat staat ze op. Dat is fijn want dan word ik uitgebreid geaaid en beknuffeld. En dan hebben we tijd voor een goed gesprek. Zij vertelt. Ik luister. Over haar zorgen die er soms ook zijn. Door mij wordt ze weer rustig. Voor mij is het een kleine moeite. Mijn aanwezigheid is al voldoende. Haar hand beweegt langzaam over mijn rug. Langzaam, langzamer. Traag. Houdt stil op mijn kop. Dan kom ik in actie. Ik geef haar een volle lik over haar hand. Het liefst over haar gezicht, maar daar houdt ze niet van. Voor mij zijn de nachten ook niet altijd een pretje. Ik word helaas geplaagd door een aantal kwalen, ik ga ze hier niet noemen. Maar vooral s ’nachts word ik regelmatig belaagd door ongewenste oprispingen en onwelriekende geuren. Mijn bazin is er dan altijd voor mij. Ze klaagt niet, ruimt op en spreekt lieve woordjes tegen mij.

Binnen in mij is een stil verlangen Een verlangen naar vroeger, toen mijn bazin nog een jong meisje was. Een vrolijk huppelend kind dat soms languit in het gras ligt. Met armen boven haar hoofd. Zij kijkt naar boven. Naar de blauwe lucht. Naar witte wolken die langzaam voorbij drijven. Naar de zon die haar ogen een beetje doet dichtknijpen. Ik lig naast haar, met uitgestrekte poten. Ik kijk naar haar. Haar tong steekt een stukje uit haar mond. Vol aandacht houdt ze madeliefjes in haar hand. Ze prikt een klein gaatje in de stengel en steekt er een ander madeliefje doorheen. En nog éen, en nog éen. Totdat er twee bloemenkransen zijn. Eén voor haar, éen voor mij. Ik moet zeggen dat de wit-gele madelieven mooi kleurt bij mijn diepzwarte vacht. We staan op. Ik leg mijn poten op haar schouders. We maken een dansje.

Goedemiddag

Vandaag het laatste verhaal over mijn broertje. Ik heb graag over hem geschreven, steeds vanuit een andere invalshoek. Ik hoop dat het is bevallen. De vorige keer heb ik gevraagd of jullie ideeën of tips hebben voor nieuwe verhalen. Ik heb al een aantal suggesties gehad bijv. een thrillerverhaal, verhalen over honden en hun bazen, geschreven vanuit de hond en een sprookje. Bedankt daarvoor. Maar nieuwe suggesties zijn altijd welkom. De komende vier weken neem ik een schrijfvakantie. Daarna horen jullie weer van mij. Voor nu wens ik jullie veel leesplezier!

Wolk, Hart, Liefde, Romance, Romantische, Droom

De drie Petertjes

‘Ik weet het niet’ zegt Ida. Ze trekt de spiertjes rond haar ogen samen en tuurt voor zich uit. Ik vind het juist geweldig nieuws. Mijn nieuw geboren neefje heet ´Peter’. Vernoemd naar ons broertje en naar mijn vader. Ik snap niet dat Ida zo reageert nu haar zoon Thomas zijn kind heeft vernoemd naar de beide Peters. ‘Maar waarom dan niet?’ ´Nou, het leven van de twee andere Peters ging bepaald niet over rozen’. Ik wilde net iets zeggen maar sluit mijn mond. Daar heeft ze een punt. ‘Ik ben bang dat de geschiedenis zich herhaalt’ vervolgt ze. ‘Dat hoeft toch niet?’ Nee, maar het kan wel’. ‘Misschien doorbreekt Peter dit patroon’. De wens aan een positieve toekomst klinkt door in mijn stem. Een positieve toekomst voor dit pasgeboren kindje maar ook die voor van mijzelf. En voor de rest van mijn familie. Ida knikt.

Als kind voelde ik dat er iets zwaars op mijn vader drukte als een donkergrijze wolk die stil en onbeweeglijk boven de lucht hangt. En ach ja, op mijn manier probeerde ik zijn zonnestraal te zijn. Een oom zei een keer tegen mij: ‘Peter heeft veel pech gehad, het heeft hem vaak tegen gezeten.´ Hij vertelde dat zij beiden tijdens de Tweede Wereldoorlog waren ondergedoken om onder de ‘Arbeitseinsatz’ uit te komen. De verplichting om als Nederlander te gaan werken voor de Duitse bezetter wilden zij niet. Mijn vader werd verraden en heeft bijna drie ellendige jaren in een Nederlands en Duits strafkamp doorgebracht. Mijn oom die niet werd opgepakt had een redelijke tijd op de boerderij van zijn vader. Zo waren er nog een aantal andere nare ervaringen in het leven van mijn vader. Maar natuurlijk waren er ook goede dingen. Zijn lieve moeder, de vier zusters en zijn kleine broer, de eerste huwelijksjaren met mijn moeder, Ida en ik, zijn eigen zuinig verdiende auto’s, eerst de Fiat vijfhonderd en later de witte Kever. Wanneer mijn vader buiten was werd hij een andere man. Vrijer, blijer. En lichter, veel lichter. Veel later, pas na zijn dood kwam mij het besef dat hij ook zelf verantwoordelijk was voor het leven dat hij leidde. Voor de keuzes die hij wel of niet had gemaakt. Die hij had kunnen maken.

Mijn moeders derde zwangerschap viel haar zwaar. Nog maar net bekomen van de geboorte van haar tweede dochter voelde ze zich moe, lamgeslagen. Deze keer was ze extra dik. Ze wist dat mijn vader daar niet van hield. De meeste mannen zijn trots op hun vrouws dikke buik. Mijn vader niet. Zij zag het misprijzen weerspiegeld in zijn ogen. Ze wist zich onaantrekkelijk. De bevalling werd een veldslag, waarin haar zoon overleed en zij zelf ter nauwer nood overleefde. Nog jaren daarna voelde haar leven grauw en glansloos.

Het is zondagmorgen. De telefoon gaat. Het is Ida. Haar stem klinkt gespannen. Gejaagd buitelen woorden over elkaar heen: ‘  Peter.. ziekenhuis.. zware epileptische aanval..’. ‘Dus toch’. Ik denk terug aan het gesprek van Ida en mij vlak na de geboorte van Peter. Hij blijkt een ernstige vorm van epilepsie te hebben. Met als waarschijnlijke gevolg een achterstand in zijn verdere mentale en lichamelijke ontwikkeling. Zware weken volgden, donker van onzekerheid. En toch, toch knapt hij weer op. Dapper kind!  Scans geven hoop op een positievere toekomst, inclusief een aantal mitsen en maren. Er kleurt een horizon met aarzelende tinten.

Vandaag zit ik in de tuin. Samen met mijn familie. Ook Thomas is er met zijn goedlachse vrouw Esther, hun pasgeboren zoon Johan en Peter. Het is mooi weer, het eten smaakt goed. De stemming is opperbest. Er wordt druk gepraat, gelachen. Mijn blik dwaalt naar het pad dat zich slingerend door de tuin beweegt. Op het pad loopt Peter. Met een kruiwagen draaft hij onvermoeibaar heen en weer. Wanneer zijn moeder hem roept loopt hij naar ons toe. Hij maakt mij blij. Met zijn open gezicht, met zijn brede volle lach.

Lieve lezers

Vandaag staat het voorlaatste verhaal over mijn broertje op dit blog. Over twee weken dus de laatste keer. Graag hoor ik van jullie wat je van deze serie verhalen vindt. Ook hoor ik graag suggesties over thema’s waarover ik verder kan schrijven. Soms heb ik zelf wel ideeën, maar niet altijd. Misschien vindt je het leuk om een keer een gedicht te lezen. Ook dat hoor ik graag. En ni dan het verhaal.

STEL DAT…

We zitten met ons drieën dicht tegen elkaar aan op de achterbank van de witte Kever,Ida, Peter en ik. Voorin zit papa. En naast hem, op de voorbank onze hond Boefje. Keurig rechtop kijkt hij voor zich uit. We zijn onderweg naar Vosbergen, mijn lievelingsbos. Nou ja, ik ken ook geen ander bos, maar toch! Even later lopen we op een bospad. Ida en Peter doen een wedstrijd hardlopen. Ze rennen ver voor ons uit. Papa en ik lopen naast elkaar. Papa is blij. Dat weet ik want hij fluit. We gaan zitten op een liggende grote boomstam. Papa pakt een sigaret. Kleine rookwolkjes kringelen omhoog. Ik voel me stil en blij.

Dan komen Ida en Peter met veel kabaal terug. ‘Ik heb gewonnen’. ‘Nee ik’ roept Peter. Zijn stem klinkt verontwaardigd. We slenteren verder. Onze voeten schoppen door bladeren op de grond. Het knispert en er komen donkere geuren tevoorschijn. Bruine paddenstoelen of zoiets. Ik zie een mooie boom met brede takken en klim omhoog. Wanneer ik weer beneden sta liggen Peter en Boefje samen op de grond. Ze omarmen elkaar met armen en poten.

Ze staat voor het raam wanneer de auto de straat binnenrijdt. Portieren gaan open, er wordt uitgestapt en even later is het huis vol geluid en beweging. De kinderen beginnen tegelijk door elkaar heen te praten. Ze kijkt over hun hoofden naar Peter, haar man. Hun ogen vinden elkaar. Dan dwalen haar ogen verder. Richten zich op Ida, haar middelste. Op Ineke, haar oudste. En naar Peter, haar jongste. Hij is het toetje. Het onverwachte, ongewenste cadeau dat zo anders uitpakte. Een waar Godsgeschenk. Stel dat… nee daar gaat ze niet aandenken. In plaats daarvan geeft ze hem een aai over de bol wanneer hij langs haar loopt. Ze zegt: ‘Kom aan tafel allemaal, het eten is klaar’.

Spoorzoekertje

1990 ‘Ik heb het geruimd hoor’. Het is het eerste dat mijn moeder tegen me zegt wanneer ik de huiskamer van de aanleunwoning binnenkom. Het appartement waar mijn moeder woont sinds het overlijden van mijn vader twee jaar geleden. Ik kijk om mij heen maar zie niets bijzonders. De tweezitsbank met het gekleurde verenmotief, de kersenhouten ronde tafel vol met boeken, het tinnen theeservies. Mijn ogen blijven haken bij de buikvormige suikerpot. ‘Wat heb je geruimd?’ ‘O, het graf van het kindje.’ ‘O’ papegaai ik terwijl een raar gevoel in mij omhoog kronkelt. Dan is het weg. Het kindje is mijn broertje. Overleden een dag na zijn geboorte. ‘Het was beter zo ‘ zei mijn moeder de zeldzame keren wanneer zij over hem sprak. ‘Hij zou anders maar zwaar gehandicapt zijn. Of: ‘het was al zo druk met jullie beiden.’ Ik heb het lang als zoete koek geslikt. We hebben het graf nooit bezocht. Geen idee waar hij is begraven. Mijn vader sprak nooit over hem. Ik heb er nooit naar gevraagd. ‘Hoezo geruimd?’ vraag ik. ‘De huur van het graf wordt niet verlengd. Anders moeten er later kosten worden betaalden dan is het jullie maar tot last.‘ Het woord ‘last’ blijft bij mij hangen. Even maar. Daarna drinken we een kop koffie.

2019 Het is één uur. Ik sta onder de Martinitoren en wacht op Ida. Daar komt ze aanfietsen. Haar lange donkere haren dansen om haar schouders. Ze stapt af. We kijken elkaar aan. Onwennig. Het is een verwarrend moment. We gaan naar ons broertje. Ons broertje dat zestig jaar geleden is begraven. We hebben naar dit moment toegeleefd. Maar nu zien we er tegen op. Zullen we maar?’ vraagt Ida. We fietsen weg. In mijn rechterhand houd ik een bos witte rozen.

Dan zijn we er. Bij Selwerderhof. Het is winderig met mooie witte wolken en felle blauwe lucht. We zetten onze fiets tegen het hek en lopen de begraafplaats op. Samen turen we op de plattegrond in onze hand: vak vier, veld drie, drieënveertig. De plek is lastig te vinden omdat de steen is verwijderd, geruimd, zoals mijn moeder zei. Maar het graf met hem is er nog wel. Op een klein grasveld staan we stil. Dit is de plek. Hier ligt ons broertje. Het kleine veld is rechthoekig met hier en daar een grafsteen. Er staan hoge bomen. Mijn zuster houdt een kleine toespraak. Haar stem vol rust, kalmte en liefde. Ik zak door mijn knieën. Woel met vingers door het gras, totdat koele grond mijn hand rustig maakt.

De verliezende winnaar

5 november 1959

‘Peter? ‘Ja?’ Zijn stem klinkt alsof er stukjes grint in zijn mond zitten. Hij kijkt naar het papier voor zich waar allerlei cijfer staan. Keurige rijtjes onder elkaar. Als boekhouder houdt hij van cijfers. Hun rondingen, strepen, verbuigingen maar bovenal omdat ze hem rustig maken. Hun koele helderheid, hun eindeloze mogelijkheden bieden hem een horizon. Om naar toe te gaan, om achter te verdwijnen. ‘Peter, wil je hier even naar kijken? Zijn baas staat voor zijn bureau. Wanneer hij niet direct antwoord vervolgt hij: ‘Het moet vandaag wel de deur uit. Bedankt hè?’ Zijn woorden slingeren achter hem aan terwijl hij de kantoorkamer verlaat. Hij zucht en strijkt met zijn hand door zijn zwart golvend haar. Zijn heimelijke trots. Dan staat collega Franssens opeens naast hem. Met de voetbaltoto in zijn hand. Vanavond speelt het Nederlandse elftal tegen Noorwegen. Hij ziet allerlei vergelijkbare uitslagen: éen-éen, twee-éen, éen-twee enz. Hij pakt zijn pen en schrijft resoluut zeven-éen. Negeert de verbaasde blik van zijn collega. Een uur later verlaat hij het kantoor. Buiten blijft hij even met de fiets aan de hand stil staan.

Een kwartier later is hij thuis. Bij zijn twee kleine dochters en Jannie zijn vrouw. Jantje zoals hij haar soms liefkozend noemt. Het komt hem voor alsof zijn vrouw hem verwijtend aankijkt. Daar heeft ze ook wel reden toe. Zij draagt de last van een zware zwangere buik. De last van het groeiend kind in haar. Dat ze niet wenst, zo kort na de vorige. Hij overigens ook niet. Hij twijfelt sowieso over zijn rol als vader. Heeft angst dat hij het niet aankan. Niet waar kan maken. Wat is een goede vader? Hij heeft geen idee. Bovendien heeft hij genoeg aan zich zelf. Meer dan genoeg. Hij zucht, zijn schouders zakken. Vanuit zijn fauteuil kijkt hij naar zijn vrouw. Haar grijsblauwe ogen kijken langs hem heen.

Later die avond. Het eten is gedaan. De kinderen zijn naar bed. Het is stil op straat. Af en toe fietst er iemand voorbij. Geen voetgangers. Hij leest de krant, zijn krant ‘Het Vrije Volk’. Op de ronde kersenhouten tafel ligt een schrift met een vulpen op een opengeslagen bladzijde. Zojuist heeft hij de uitgaven van de afgelopen week opgeschreven. Het viel niet tegen. Vroeger zou hij met Jantje naar de bioscoop zijn gegaan. Hij ziet hoe ze stevig gearmd na afloop de bioscoop uitlopen en bij thuiskomst een oude krant op de eettafel uitspreiden. Hij hoort het pellen van de doppinda’s. De geur die langzaam omhoog stijgt. Pinda’s die langzaam in zijn mond heen en weer bewegen. De smaak. De kussen die zij beiden elkaar over de tafel heen geven.

Hij schrikt op van gekerm aan de andere kant van de huiskamer. Hij ziet zijn vrouw in elkaar gedoken zitten, haar handen klampen zich vast aan de tafelrand. Loopt op haar af. Slaat zijn armen om haar heen. Dat helpt niet. Ze vergaat van de pijn. Later komt er bloed, veel bloed. Even is hij in paniek. Dan rent hij naar de overkant van de straat waar een buurvrouw telefoon heeft. Een ambulance. Het ziekenhuis. De operatie. Macabere dans van leven met dood. Zijn vrouw overleeft, zijn zoon niet.

7 november 1959 Het is koud. De zon schuilt achter een half bewolkte hemel. De gevoelstemperatuur is onder nul. Hij trekt met één hand de kraag van zijn grijze winterjas omhoog. Zijn andere hand draagt het kistje. Het kleine rechthoekige kistje waar Peter in ligt. Zijn zoon, naar hem vernoemd. Het geluid van zijn voortstappende voeten doorbreekt de stille novembermorgen. Uit zijn mond komen kleine wolkjes damp. Dan heeft hij de plek bereikt. Naast het vers gegraven graf liggen kleine hoopjes zand. Hij voelt iets bitters in zijn mond. Het blijft steken in zijn keel. Net als woorden die hij niet kan zeggen. Hij knielt neer op zijn knieën. Zijn handen omklemmen het kistje. Zijn lippen proeven het ruwe hout. Proeven donkerheid. Hij legt zijn zoon in het graf.

9 november 1959 Op kantoor is het een komen en gaan van collega’s. In een langzame stoet schuiven ze langs zijn bureau. Hij hoort ze zeggen: ‘ we vinden het heel erg.. gelukkig heb je nog twee dochters.. hoe gaat het nu met je vrouw?’ Hij knikt, bedankt, schudt handen. Verdiept zich vervolgens weer in zijn werk met cijfers. Hij ervaart ze als ware vrienden. Zij blijven onveranderd hetzelfde. Voor altijd. Zijn houvast. Zijn troost. Er staat weer iemand voor zijn bureau. Zijn collega Franssens. Hij houdt een blikken trommel vast. Draait wat heen en weer, schraapt zijn keel en zegt: ‘Voor jou Peter. Je bent de winnaar van de voetbaltoto.’

proloog

Wolk, Hart, Liefde, Romance, Romantische

We lopen het pad af langs de sloot. De honden volgen op afstand. Laura’s mooie zwartbruine boerenherdershond en mijn kleinere peper-en-zout Schnauzer. Kikkers kwaken er lustig op los. Vogels zingen luidruchtig hun lied. Wij vertellen ons eigen verhaal. Over Laura’s ouders die kort na elkaar overleden. Net als de mijne, al is dat dertig jaar geleden. Ze vertelt ook over haar broertje. Haar broertje dat op tweejarige leeftijd is overleden. In mijn buik kruipt langzaam een wee gevoel naar omhoog

‘Dus zij ook’ denk ik. Dwaal weg van haar woorden. Denk aan mijn broertje. Die ik nooit heb gekend. Die een dag na zijn geboorte overleed. Waar nauwelijks over werd gepraat. Weggestopt in de kantlijn van ons bestaan. ‘Dus je snapt wel..’ Laura’s stem brengt mij terug. Ze vertelt over het gezamenlijk graf van haar ouders en die van het broertje verderop. Ongeveer drie meter. Zo dicht bij. Zo ver af. Met haar broer is ze langs verschillende instanties gegaan om ouders en broertje met elkaar te verenigen. Het was een lange tocht Maar het is gelukt. Ademloos slik ik haar woorden in. Verstop ze, diep in mij. Binnen mij raast een helse storm. Bloedrood. Alles kraakt, rukt en giert. Van buiten reageer ik beheerst. Knik instemmend. Mijn mond maakt kleine meelevende geluidjes.

Laura vertelt over het kleine antieke notenhouten kistje van haar ouders waar haar broertje in wordt gelegd. Over de piepkleine botjes, die zij in haar handen legt. Die zij zacht éen voor éen kust. Het speelgoedautootje. Bleekblauw. Zijn trouwe bondgenoot van al die voorbije jaren. Het verhaal gaat verder. Hoe het graf van haar ouders werd geopend en het kleine broertje tussen hen in wordt gelegd. Dan scheiden onze wegen. Tot een volgende keer wanneer we elkaar weer toevallig ontmoeten. Zo gaat dat met hondenmensen. Je loopt elkaars levens in en uit.

broertje

Vandaag start ik met de verhalencyclus over mijn broertje. Deze keer een gedicht. Over veertien dagen volgt een verhaal.

Wolk, Hart, Liefde, Romance, Romantische

Broertje

weggestopt verzwegen maar niet vergeten

ben jij broertje lief klein weerloos broertje

jouw hart heeft geklopt ons hart klopt voor jou

wij halen jou tevoorschijn zetten je in het licht adem lucht zon aarde wind

nu zijn wij samen Ida je jongste zuster Ineke je oudste zuster en jij lief broertje wij zijn nu samen

Goedemiddag

Wolk, Hart, Liefde, Romance, Romantische

Ik wil graag beginnen met iedereen te bedanken voor de vele positieve reacties die ik tot nu toe op mijn verhalen heb ontvangen. Daar ben ik blij mee en het stimuleert mij om verder te gaan met schrijven. Naast het delen van mijn verhalen dient mijn blog nog een ander doel. Ik wil jullie graag vertellen over mijn broertje. Mijn broertje is een dag na zijn geboorte gestorven. In ons gezin werd er nauwelijks tot nooit over hem gesproken. De laatste jaren ervaar ik met terugwerkende kracht verdriet. Een gevoel van gemis. Om hoe het geweest zou zijn om een broer te hebben.Om hoe tragisch het is om maar één dag te leven. Om nog wel meer redenen.

Vorig jaar zijn mijn zuster Ida en ik een zoektocht naar ons broertje begonnen.Daarover wil ik graag vertellen. Ik denk aan ongeveer acht verhalen, elk vanuit een andere invalshoek. Wat ik belangrijk vind om te zeggen is het volgende. Mijn ouders neem ik niets kwalijk. Vroeger werd vaak niet gesproken over moeilijke dingen. Ik denk dat het voor hun op dat moment de beste optie was. Volgende week start ik met verhalen met af en toe een gedicht. Ik wil aan jullie vragen om mee te lezen. Om de verhalen zelf maar vooral omdat jullie weten van zijn bestaan.

Das kleine Wohnzimmer

Vandaag het tweede deel van het tweeluik

2 Das kleine Wohnzimmer

Men spreekt vaak over onderbuikgevoelens, maar ik weet wel beter.Als ‘Stubesofa’ ontvang ik bewoners en gasten van dit huis, allen nemen plaats op mij. Geloof me maar: billen zijn de ware zetels van onze gevoelens en emoties. Neem bijvoorbeeld Papa Deters. Vandaag is hij onrustig. Gewoonlijk heeft hij een rustige zit, maar nu draait hij steeds langzaam naar links en trekt zijn linkerschouder omhoog. Hij is gespannen. Dat is vanwege de komst van die ‘Holländerin’. Hij schaamt zich altijd nog voor de oorlog. Hij heeft zelf niet meegevochten, is zelfs gedeserteerd en heeft daar veel onder geleden. Maar toch, hij heeft gehoord dat de ouders van het meisje in een kamp hebben gezeten. Hij wordt rustiger na het drinken van zijn rauw geklopt ei, dat hij elke morgen stipt van mama Deters krijgt.

Ja, ik speel een centrale rol hier in dit huis auf dieser Strasse. Het echte leven speelt zich hier af. Hier in deze kleine woonkamer van dit grote huis. Er wordt gegeten, gedronken, gesproken, soms vallen er harde woorden. Gisteren nog, toen papa voor de zoveelste keer naar de kelder liep om te controleren of de verwarming nog moest worden bijgevuld met steenkool. Iedereen weet dat hij dan stiekem een slokje Schnaps drinkt.  Eigenlijk valt daar niemand over want hij drinkt verder weinig. Maar mama had waarschijnlijk een slecht humeur vanwege het een of ander, misschien ook wel omdat ze opzag tegen vandaag. Wie zal het zeggen? Gelukkig wordt er ook vaak gelachen en kusjes op elkaars wang gegeven. Meestal gaat alles volgens een gestaag dagritme, daar houd ik wel van. Ik woon hier al vele jaren en word steeds mooier. Mijn bordeauxrode kleur verdiept en verdonkert. Het komt door de vele emoties van de bankzitters, die zich vermengen met mijn eigen kleur. Ik ben de ontvanger van gedrukte, bedrukte, soms onderdrukte gevoelens van mijn gasten. Veerkrachtig als ik ben, geef ik zachte opwaartse duwtjes en strijk zo ontstane plooien weer glad.Maar vandaag is alles anders. ‘Das Mädchen’, zegt de man. ‘Aber Papa du weißt doch’, zegt de vrouw. ‘Hört auf, ihr beide’, zegt de zoon, die de kamer binnenkomt en zijn ouders tegen elkaar hoort praten. ‘Aber doch’,  zegt de man. De zoon legt met een armgebaar zijn vader het zwijgen op. Gedrieën zitten ze op mij. De man aan de korte zijde, de moeder en de zoon aan de andere langere kant. Ze kijken vaak naar de klok. De klokt tikt rustig in haar eigen ritme de tijd voorbij.Dan is het tijd. Vader en zoon staan gelijktijdig op en lopen de kamer uit. De moeder gaat bij ‘das kleine Fenster’ staan. Ze bukt zich en trekt met de linker hand, het lange aan de onderkant gekartelde vitrage, omhoog. Ze ziet de auto de straat uitrijden.

Ze gaat weer zitten. Met de ellebogen op de tafel ondersteunt ze haar hoofd.  Ze kijkt voor zich uit. Op de wand tegenover staat een voor deze kleine ruimte een reusachtig ‘Fernsehapparat’. Daar boven een kleine houten Jezus aan het kruis. Later, veel of weinig later, hoort ze een auto rijden in de straat. Hij stopt. Ze hoort stemmen, het geluid van de sleutel die de deur ontsluit. En dan komen ze de kamer binnen.Het meisje draagt een korte witte jurk. De zoon houdt haar hand vast. Ik zeg niets. Voordat zij gaat zitten probeert ze met beide handen de onderkant van haar jurk  naar beneden te trekken. Dwars door haar kracht en kwetsbaarheid voel ik beweeglijkheid. Mijn welkom is haar zo comfortabel mogelijk te laten zitten.