Tafelgenoot

Mooie lijstdie in witte kleuren wordt plaatsen

Tafelgenoot

We zitten aan tafel, Maxwell aan het hoofd, op de plaats van mijn man Hendrik zaliger. Hij draait zijn hoofd. Onrustig. Het witte servet dat zo mooi afsteekt tegen zijn donkerbruine huid zit hem dwars. Maar goed, er zit ons allemaal wel eens iets in de weg.
‘Niet klagen maar dragen’ zei mijn moeder. Eén van haar talrijke gezegdes, die ik als kind verfoeide maar toch in de praktijk nuttig blijkend te zijn. Ik pluk er nog dagelijks de vruchten van. Ik kijk nog even rond of alles in orde is. De muziek, een pianoconcert van Mozart klinkt zacht op de achtergrond. Het glas rode wijn wenkt naar mijn hand. De kaarsen op het dressoir met de rode loper met ruitmotief branden. Mijn ogen blijven steken bij de blauw gele vlam. De plooien de bordeauxrode veloursgordijnen raken tot op de grond. Ik knik naar Maxwell. We kunnen beginnen. Het kost me nog altijd moeite om naar Maxwell te kijken wanneer hij eet. Luidruchtig. Smakkend. Zó onsmakelijk. Ik heb alles gedaan om hem dat af te leren. Streng toegesproken. Gepaaid met iets lekkers. Genegeerd. Weggekeken wanneer hij met zijn smachtende bruine ogen mij aankeek. Niets hielp. Ik heb me er maar bij neergelegd.

We eten in stilte. Daar houd ik van. Langzaam breng ik de vork naar mijn mond en leg er een stukje aardappel op. Mijn tong rolt er overheen voordat ik het in kleine stukjes bijt.
‘Doe alles wat je doet met liefde en aandacht’.
Ja, mijn moeder zit altijd nog in mij. Teveel als je het mij vraagt. Daarom was ik zo blij met Hendrik. Een kalme, rustige man. Keurige man. En nu heb ik dus Maxwell. Maxwell is van een andere orde. Maar hij is van mij. Ik vorm en kneed hem voor eigen gebruik. Dat gaat me wel aardig af, durf ik te zeggen, al blijft er nog wel wat te wensen over. Bijvoorbeeld altijd die drang om naar buiten te gaan. Het gaat niet alleen om het lopen, maar ook zijn onwelriekende geuren die hij stilstaand op sommige plaatsen pleegt te verspreiden. Ik wend mijn hoofd dan af en spreek hem bestraffend toe, wetende dat het eigenlijk niets anders kan, maar mij toch teleurgesteld voel op zo’n moment. Teleurgesteld door het verschil tussen ons. Onoverbrugbare afstand. Ik voel me dan zo alleen.
‘Ieder mens loopt zijn eigen levenspad’.
Dat zal zo zijn maar wat heb ik daar aan? Liefdevol nu wend ik mijn hoofd naar Maxwell. Mijn hand liefkoost zijn gezicht. Zijn trouwe blik. Zijn fysieke aanwezigheid. Zijn zachte maar toch stevige stoere haren. Zó troostend. Mijn lieve Maxwell. Mijn lieve hond

Simon

stockillustraties, clipart, cartoons en iconen met retro delicate trouwkaart met roze aquareltextuur en bloemen - bloemetjesbehang

Simon

De kamer is anders nu. De stilte is zwaar. Donker. Het is natuurlijk ook leger zonder haar. Zonder Emma, zijn moeder. Hij perst zijn lippen op elkaar, slikt iets bitters weg. De pauwblauwe stoel ziet er leeg en verlaten uit. Toch is het net alsof hij haar blik voelt. Hij kijkt snel de andere kant op. Naar de wand met het verschoten bloemetjesbehang. De roze-witte rozen staren hem verlept aan. Hij trekt zijn linker schouder iets omhoog en staat stil. Snuit zijn neus en loopt naar de rechthoekige keuken waar nog een aantal voorwerpen op het aanrecht staan. Een bordje, fruitmesje met oranje handvat, kaasschaaf, kopje en een doosje lucifers. Op het gas staat een steelpan zonder deksel.

Twee dagen eerder was hij gebeld. Door de thuiszorg. Gelijk wist hij dat het mis was. Met Emma.

Hij had geschokt gereageerd. Maar ook niet weer te geschokt. Per slot van rekening was ze ruim negentig jaar. Een gezegende leeftijd zegt men. Toen volgde het hele circus van dingen regelen tot en met kletspraatjes met de buren.

‘Ja, heel onverwachts…

‘Ja, ze is zacht gestorven (in haar eigen bed)…

‘Ja, een heel gemis…’

In de keuken blijft hij talmen.

‘Draaloor’ hoort hij haar zeggen. Hij ziet de geveinsde glimlach op haar gezicht. Glimlach vol met minachting voor hem. Voor hem.

Weg wil hij, weg van hier. In de haast schaaft hij zijn hand aan de punt van een kastdeurtje.

Buiten haalt hij opgelucht adem. Tot een verschrikkelijke gedachte hem de adem beneemt:

Het glas. Het glas stond niet meer op het aanrecht.

Zorgvuldig had hij die avond het drankje in het glas gegoten. Emma aangemoedigd om het op te drinken. Dat had ze gedaan. Maar nu staat het glas er niet meer…

Gerda

Yoga, Yogamat, Groente, Yoga, Yoga, Yoga

Maandagavond.

Ik loop de yogaruimte binnen en zie haar. De vrouw met het halflang zwarte haar. Ze zit op een groot badlaken. Heeft haar hoofd opgeheven naar Betty onze yogadocent. Ik onderdruk een lichte wrevel. Iedere keer zit zij daar, vlak bij Betty. Ze hebben altijd veel aandacht voor elkaar. Niet alleen nu maar ook tijdens de les. Het ergert mij. Daaronder zit iets van jaloezie, rood met zwart.

Later, veel later worden we vriendinnen. Gerda de vrouw met het zwarte haar en ik.

Als ik weet dat Gerda multipele sclerose heeft.

Als ik schaamte heb gevoeld over mijn gedachten van jaloezie:

‘Waarom krijgt zij zoveel aandacht en ik niet?’

Gerda kraag MS toen haar dochter en zoon ongeveer twee en drie jaar waren. Ze kon opeens niets meer zien. Onderzoek volgde en daarna het vonnis: Levenslang.

Van Multiple Sclerose genees je niet.

Nu zijn haar kinderen jong volwassenen. Haar zoon woont niet meer thuis, haar dochter wel. Ongeveer een keer per maand bezoek ik haar en zij mij. Gerda heeft een energieke, creatieve geest, gevangen in een ziek lichaam. Ze schildert. Maakt prachtige aquarellen.

Van landschappen of haar geliefde zwarte poes.

Ik herken in haar de doorzetter.

Ik herken ook in haar de onderwijzeres die ze is. Regelaar. Heeft als een spin midden in het alle touwtjes in handen.

Gerda doet steeds een stap terug. Van lopen met een stok, fietsen met aangepaste fiets tot de rolstoel. Samen met haar man, dochter, zoon, moeder, zuster en anderen leidt ze een zo normaal mogelijk leven. Onze vriendschap blijft. Gerda die weet wat zij wil en ik de eeuwige twijfelaar. Dat gaat prima samen.

Wanneer ze vijfentwintig jaar is getrouwd gaat een lievelingswens van haar in vervulling. Samen met haar gezin viert ze een fantastische vakantie op Curaçao.

Dan slaat het noodlot toe. Na een periode van erge rugpijn blijkt ze kanker te hebben met uitzaaiingen. Genezing uitgesloten. Er rest haar nog beperkte tijd.

Ik hoor haar nog via de telefoon mij het noodnieuws vanuit het ziekenhuis vertellen. De stem rustig met af en toe een kleine hapering.

‘Nee, ik word niet meer beter. ..

Ja, ik wil naar huis…

Ze regelt een andere huisarts, want haar huidige beviel toch al niet goed…

En ja, het is zwaar om naast haar MS nu kanker te hebben…

Ook in deze periode blijven we elkaar ontmoeten. Praten over het leven van alledag.

Over de dood. Haar dood. Die ze moedig onder ogen ziet.

Ongeveer drie maanden later overlijdt ze na een kort en heftig ziekbed.

Na een mooie, persoonlijke door haar man en kinderen georganiseerde dienst voor Gerda in Winschoten vertrekken we naar de Galerie de Groninger Kroon. Omringd door prachtige kunst en het mooie Groninger land gedenken we Gerda. Er wordt gelachen, verhalen verteld. We heffen het glas. We vieren haar leven. Gerda’s leven.

Een maand later hoor ik de deurbel. Er staat een voor mij onbekende vrouw op de stoep.

‘Mag ik U iets vragen?’

‘Ja dat mag.’

‘Wilt u collectant voor het Spierfonds worden’

En ik, die een hekel heb aan collecteren, zeg Ja.

Ik wil niets anders, dit komt nu op mijn pad en het voelt goed. Ook al is MS een neurologische aandoening, je hebt ook veel last van je spieren.

Dus loop ik vandaag weer voor de jaarlijkse collecte van het Spierfonds. Met een collectebus en een vrolijke oranje tas. Denkend aan Gerda wandel ik over een oprit en bel aan. Na enig wachten wordt de deur geopend en houd ik de bus voor mij uit. Ik vraag: ‘Goedemiddag wil u iets geven voor het spierfonds?’

De vrouw stopt wat geld in de bus. Ik knik haar vriendelijk toe en loop naar het volgende huis.

Lieve Jayla

Verdriet rolt uit mijn oog

Op het terras in Ravenstein

Met Japanse drilkoffie

En appeltaart met room

Maar jij zit niet naast mij

Je danste het leven door

Jij spring-in-het veld

Lichtvoetig en blij

Aanhankelijk, eigenzinnig soms

Het is zo stil in huis

Met de vader en moeders

Baasjes van jouw  trouwe vriendinnen

Sandy en Luca

Hebben we je met aarde toegestopt

Nu heffen we het glas

Gevuld met witte wijn

We proosten

Een laatste groet

Porto Franco

Ik zit op zolder. Op mijn schoot ligt een plakboek met foto’s van verschillende filmsterren:  Tony Curtis, Ava Gardner, Gina Lollobrigida en Burt Lancaster.

Rondom mij liggen verschillende boeken en de verzameling postzegelalbums van mijn vader.

Vanmiddag komt mijn neef Thomas. Hij heeft in zijn huis een familiemuseum ingericht en komt spullen halen. Al bladerend word ik omhuld door muffe lucht met door de zon oplichtende dwarrelende stofdeeltjes. Als vanzelf komen herinneringen boven. Een andere tijd. Een ander huis. Een ander leven.

Ik kom thuis van een avond stappen. Heb mijn vrienden ontmoet, lekker gedanst en nu ben ik moe. Maar ik ga nog niet naar bed. Zachtjes loop ik de woonkamer binnen en vind op de tast de lichtschakelaar van de kleine schemerlamp met het porseleinen onderstel, waarin een man met pruik een elegant gebaar maakt naar een vrouw, zittend met een waaier in de hand. De lamp werpt een zacht licht op de lange donkergroene wand met haar grote, ovaalvormige bloemkelken. Omringd door nachtelijke stilte, schaars verlichte meubels en kasten vol antieke prullaria loop ik naar het dressoir.

Ik pak de grote blikken trommel en zet hem op tafel. Hij is zwaar van de vele mappen, sigarendozen en schriften met ruitjes. Schriften vol met kolommen cijfers. Alle uitgaven worden minutieus opgeschreven en bewaard.

Doelbewust trek ik een grijze map naar mij toe en open deze. De kleurrijke cijferfrankeerzegels van Wim Crouwel. Ik pak de enveloppe en kies voor deze keer de gele postzegel van 60 en na enig zoeken de paarse van 25 cent. Ik pak de brief uit mijn tas, stop hem in de enveloppe en klaar is kees.

Tevreden kruip ik even later m’n bed in.

Ik stel me het moment voor dat hij de brief leest. Voor hem ligt de open geriste enveloppe. Zijn ogen vliegen over de regels, hij drinkt de woorden in.

Mijn woorden. Hij leest het nogmaals, langzamer deze keer. En nog een keer. Hij drukt een zachte kus op de brief en houdt het papier voor zijn gezicht.

Een week later. Het is weer nacht, de brief geschreven en de grijze map ligt voor me. Mijn oog valt op een stuk papier dat naar buiten steekt. Ik pak het vast en lees:

‘Door het ontbreken van één of meerdere postzegels van deze series is mijn postzegelverzameling van nul en generlei waarde.  Je vader’.

Beeldspraak

Gisteren was ik de prachtige beeldentuin van kasteel Nijenhuis. Ik was daar om al het moois te bewonderen en om een verhaal te gaan schrijven over één van de beelden uit de beeldentuin. Het liep anders…

Nog een praktische mededeling voor mijn gewaardeerde lezers. Ik geef mijzelf zes weken schrijfvakantie en ontmoet jullie half augustus weer. voor nu veel leesplezier!

Vogels, Afbeelding, Tuin, Decoratie

Ze lijkt net een volgelverschrikker.

Het is de eerste gedachte die bij hem opkomt wanneer ze zijn tafel nadert. Haar wijd vallende kleding van onbestemde kleur, iets blauwachtigs of roze, ruist terwijl ze loopt. Hij ziet dat ze lang haar heeft, bruin met grijs dat als een vogelnestje in strengen om haar hoofd is gedrapeerd. Ze is bij hem wanneer hij half is opgestaan.

Hij zegt:

‘Dag.’

‘Ik ben Evert-Jan’

‘Aangenaam, ik ben Louise’.

Ze spreekt haar naam langzaam uit. Lijzig.

Ze gaan beiden zitten op het terras van kasteel ‘het Nijenhuis.’

Voor hen staan vele beelden stil in het gras van de uitgestrekte tuin.

Al snel ontspint zich een gesprek waarin hij de boventoon voert. Waarin hij vertelt in Haren te wonen. Dat zijn vader ambtenaar was, zijn moeder kleuterjuf en zo praat hij verder.

Af en toe klinkt spreekt zij een enkel woord of een zin. Haar stem klinkt als zacht ruisende blaadjes van een boom.

Zijn stem is hard.

Hij praat verder. Over zijn vrinden, de club waar hij wekelijks komt.

Op zeker moment buigen zij beiden over de tafel en geven elkaar een kus.

Ze buigen weer terug. Elk in hun eigen positie. Zij luistert. Hij vertelt.

Mensen in hun omgeving verlaten het terras, anderen nemen hun plaats in. Gaan weer weg. Zij blijven zitten.

Hij denkt dat het wel goed gaat. Louise, de stem klinkt nog als iets stroefs in zijn mond, lijkt geboeid te luisteren. Hij wil dat het ook goed gaat. Het moet. Hij gooit er nog een schepje bovenop. Zijn stem klinkt luider wanneer hij zegt:

‘Ja, deze wijn beveel ik je aan, hij is dróóg en fruitig’.

Louise knikt. Ze heffen het glas en proosten. Evert-Jan neemt een flinke slok en strijkt met de tong over zijn lippen.

Louise neemt een minislokje.

Evert-Jan:

‘Ik wil je graag vasthouden en een zoen geven’

Beiden staan op. Gaan naast de terrastafel staan.

Hij pakt haar handen vast en legt ze tegen zijn borst. Hijzelf slaat zijn armen om haar heen, kijkt haar aan en zoent haar op haar geopende lippen. Iets te hard bedenkt hij.

Ze gaan weer zitten.

Ze loopt het terras op en kijkt om zich heen.

‘Ja’, dat moet hem zijn. Ze ziet een forse lange man met een bos wit haar. Blauwe ogen die haar aankijken. Hij wenkt haar.

Hij zegt: ‘Dag. Ik ben Evert-Jan’

Zij zegt: ‘Aangenaam, ik ben Louise.’

Ze gaat zitten.

Evert-Jan begint gelijk te praten. Ze luistert met een half oor en probeert zich te ontspannen.

‘Kom op’, zegt ze tegen zichzelf

‘Dit is toch wat je wou. Een normale leuke man.

Ze kijkt hem aan. Ziet zijn gebruinde gezicht, de volle lippen, het grote witte bos haar dat zijn gezicht omlijst.

‘Wel een stoere kop ‘ besluit ze.

Maar het lukt haar niet om lang naar hem te kijken. Ze voelt haar nek verstrakken en draait hem rustig heen en weer. Ze ziet andere mensen. Een jonge vrouw, met een jonge en oudere man aan het tafeltje naast hen. Een stel met waarschijnlijk de vader van één van hen. De vrouw kijkt op haar telefoon en drinkt een glas met een bruine drank. IJsthee, appelsap misschien.

De oude en de jonge man kijken samen naar de plattegrond van de beeldentuin. Die van haar zit nog opgevouwen in haar tas.

Ze kijkt haar tafelgenoot aan. De koffiekopjes staan leeg op de tafel.

Hij praat en praat. Blijft praten. Zijn woorden rollen als grote woeste golven over haar heen.

‘ Loge..

  Vrinden..

  Ambtenaar..

  Haren..’

Dan ineens buigt hij zich naar voren. Zij buigt ook en dan is er een zoen.

Ze merkt dat ze zich afsluit. Hij opent zich. Met brede armgebaren en woorden en zinnen die naar worden toegeworpen.

Zijn stem klinkt luider. Ook scherper alsof en stukjes kiezelsteen tussen zijn tanden zit.

Ze kijkt hem aan. Probeert zich te vermannen. Het lukt niet.

Ze neemt een klein slokje van haar glas witte wijn.

Hij gaat op staan en zegt:

‘Ik wil je graag vasthouden en een zoen geven.’

Als een braaf meisje staat ze op. Laat haar handen vasthouden. Laat zich omarmen.

Hij zoent haar. Een harde zoen.

Ze staat op, pakt haar tas.

Dààg zegt ze.

Fladdert het terras af.

Goalie

Vanavond begint het het Europees voetbalkampioenschap. Als jong meisje voetbalde ik elke dag met de jongens van mijn klas. Ik was het enige meisje en mocht meedoen omdat ik goed kon keepen. Mijn ouders vonden het maar niks en toen ik naar de Middelbare school ging mocht ik van hen niet langer voetballen. Daar was geen tijd meer voor want ik moest nu huiswerk maken

‘Vanmiddag om vier uur’.

‘Okay, ik kom’.

 Alles begint te bewegen en te stromen in mij. Ik voel mijn hele lichaam. Met grote passen, het hoofd iets naar beneden gebogen loop ik naar huis. Af en toe blijf ik even stilstaan en knijp mezelf in mijn handen.

‘Ja, ja ja ik heb er zin in’, zeg ik tot mijzelf. Even maak ik een klein huppeltje.

Thuis wacht mijn moeder met thee en een bruine beer biscuit.

En dan, dan ga ik, nee ik vlieg. Bij het kleine grasveld, ingeklemd tussen de vijver en de straat, kom ik tot stilstand. Ik ben de eerste. Nog nahijgend kijk ik om mij heen. Ik zucht diep.

Dan komen de jongens. Theo, Albert, Egbert, Henk en natuurlijk Sietse. Ik let vooral op Sietse. Wanneer ik hem zie word ik helemaal warm. Met mijn elleboog wrijf ik over mijn gezicht en draai mijn hoofd om. Even later kijk ik weer, dat gaat vanzelf.

‘We gaan beginnen’ zegt Egbert. Hij deelt de groepen in. Ik ga staan tussen de op de grond haastig uitgeworpen jassen. De beide voeten stevig op de grond, dan weer losjes heen en weer bewegend, de armen langs mijn lichaam, het hoofd naar voren gebogen. Mijn ogen zijn nu zo scherp als een roofvogel. Daar vertelde meester laatst over, die kunnen heel goed en ver zien.

‘Ja, nee, ja toch, daar komt hij’ Ik duik er op en pak de bal. Even blijf ik liggen, druk mijn wang tegen de voetbal. Adem de geur van leer in. Mijn moment.

Dan sta ik op en gooi de bal naar Albert. Hij steekt zijn duim omhoog en ik trek even mijn schouders omhoog, de rechter iets hoger dan de linker. Klaar voor de volgende bal.

De gele bus

Bus, Geel, Black, Reizen, Vervoer, Coach

Morgen ga ik met vakantie naar Ameland. Als kind ging ik vroeger iedere zomer met mijn ouders en zusje naar Ameland. Dat waren fantastische vakanties.

‘Teveel, veel te veel. Ga maar terug naar boven’.

Papa staat naast de plunjezak. In zijn stem klinkt iets scherps. Zijn haar golft nog wel mooi om zijn hoofd, maar verder is hij boos. De plunjezak is al voor de helft vol. Nu moeten al onze kleren er nog in, dat kan nooit.                                                                                          

Langzaam sjok ik naar boven, zet mijn voeten hard neer op de traptreden. Ik ben ook boos. Ik heb zo weinig kleren en die mag ik niet eens meenemen. Onderweg bedenk ik een plannetje, ik trek over mijn blouse mijn groene sweater en daar overheen mijn dikke rode ribbeltrui, die mama heeft gebreid. Ze heeft voor Ida een blauwe en voor Papa een grijze gemaakt. Zelf heeft ze een zwart-witte trui. Die heeft ze bij Van Kalker gekocht aan de Paterswoldseweg.

Even later geef ik papa mijn kleine stapel kleren. Hij zegt niets. De plunjezak ruikt naar aardappelen, die al heel lang in de kist van de kelder liggen, ingedeukt met van die rare witte pielela sprieten. Maar hij ruikt ook heel lekker, naar tent en Ameland.

‘A-me-land’ zeg ik zachtjes, en nog een keer, steeds weer opnieuw. Wel twintig keer.

De volgende morgen ben ik vroeg wakker. Mama, Ida en ik kleden ons snel aan, eten een boterham met een grote beker thee, pakken onze spullen en gaan op weg. Ik pak de bruine koffer. Ida draagt samen met mama de groen blauw geruite weekendtas met dunne bruine hengsels. Hij kan niet helemaal dicht, zoveel zit er in. De bloemkool steekt er een klein stukje bovenuit.  Met de andere hand houdt ze haar lievelingspop vast.

De koffer wordt zwaarder en zwaarder, maar gelukkig ben ik heel sterk.

Bij het station zie ik de gele bus al staan. Hij wacht op ons. Gado staat er op met grote zwarte letters. Ik vind de bus prachtig, zo verschrikkelijk mooi geel. Zo geel als de duinen met het groene helmgras dat zo gemeen tussen je blote tenen prikt. En het gele zuurzand van het strand dat langzaam door je vingers glijdt,  zandkastelen met rondom grachten die plotseling vol water staan en dan verdwijnen. Misschien nog wel het allermooiste, liggen op je handdoek en met je hand het op je buik gewaaide zand wegvegen.

De bus is vol met mensen, kinderen, koffers en lawaai. Ik zit lekker bij het raam en kijk naar buiten. Ik ben er klaar voor, de lange reis naar Ameland. Mijn armen trillen, dat komt omdat ik m’n handen heel hard in elkaar knijp. Dan begint de bus te rijden.

We rijden Groningen uit, ik zwaai naar fietsers en auto’s. Een auto claxonneert, ik schrik ervan. We rijden langs weilanden, sloten, bomen, fietspaden, koeien, paarden, schapen, vogels en dorpen. We stoppen soms in een dorp, Zuidhorn, Grijpskerk. Ik kijk en kijk en kijk, maar later niet zo meer. Voel me een beetje soezerig.

Ik ben een zandkorrel, rond en stevig. Ik ben droog, nat. Ik ben warm, koud. De wind waait en tilt me op en legt me ergens anders neer. Dat geeft niet, op het strand is het overal mooi.

Ineens zijn we in Holwerd, de bus staat stil. Passagiers lopen achter elkaar de bus uit. Ik houd de hand van Ida vast. En laat hem weer los.

Ik begin te rennen. Daar staat papa. Naast hem de Solex en de plunjezak. Hij houdt hem met één hand vast. Hij lacht.

BEVRIJDINGSDAG

Kersenbloesem, Sier Cherry

Bevrijdingsdag

Precies twee jaar geleden waren wij hier. Bij het graf van mijn broertje. Op vijf mei, Bevrijdingsdag. Ons broertje zestig jaar geleden overleden. Niet eerder werd hij bezocht.

Geen vader, moeder, geen zusjes.

Hooguit een toevallige voorbijganger die zijn ogen vluchtig over het graf heeft laten glijden. Misschien zelfs even stil is blijven staan om daarna zijn weg te vervolgen.

Twee jaar gelden hebben Ida en ik voor het eerst zijn graf bezocht. Bloemen neergelegd. Een toespraak en gedicht opgelezen. Toen een verdwaalde traan mijn wang beroerde.

Nu staan wij er weer. Op Bevrijdingsdag. Met bloemen, wit en roze. Ida spreekt mooie woorden. Haar stem klinkt zacht als de wind door de ruisende roze bloemenblaadjes van de Japanse kers. Uit haar mond klinken woorden als een mooie kalme melodie. Over onze ouders, over houden van en over niet vergeten.

De enige dissonant ben ik. Ik sta er bij en kijk er naar. Ik ben toeschouwer. Observeer, registreer. Voel niets. Buitengesloten van het graf, de mooie blauwe lucht met witte wolken, vogelgezang, stem van vlagerige wind, zacht en dan weer toenemend, warmgele zonnestralen, groene grassprietjes opgevrolijkt door blije paardenbloemen en margrietjes met hun witte blaadjeskrans.

Ida zegt:

‘Wij voelen ons schuldig dat wij vorig jaar niet zijn gekomen’ en gelijk er achter aan:

‘Maar daar kunnen wij niets aan doen want er was corona’.

Dat ontroert mij omdat het zo des Idaas is. Schuld bekennen en tegelijk zeggen dat je er niets aan kunt doen. Vroeger ergerde mij dat, nu vind ik het lief. Het heeft iets kinderlijks en dat is altijd mooi wanneer het kind in ons nog zichtbaar is.

Het is fijn om later over de begraafplaats te lopen, tussen de mooie bomen met uitbundig bloeiende Japanse Kers. De fontein met opspatten doorzichtig wit water. De thee en koffie die we later op het terras van het Theepaviljoen op de begraafplaats drinken.  Het koekje dat we in stukjes breken en aan de vogels geven. Onze woorden, herinneringen aan eerdere verre tijden.

Het is een tijdeloos moment. In gevoel van verbondenheid. Met ons broertje, met elkaar met mijzelf.

Reizen

Rugzak, Brown, Zak, Wandelen, Backpacken

Reizen

Ik reis graag

Niet dat ik weg ga

Thuis ben ik het liefst

            Alles beweegt in mij

            Toch ben ik op zoek naar rust

            Zelden sta ik stil

                                          Met mijn ogen open

                                          Kijk ik de wereld in

                                          Op mijn rug rust nog iets zwaars

                                                                 Ik ben alleen in het donker

                                                                 Samen met de nacht

                                                                 Reis ik het licht tegemoet

                                                                                        Verlangend

                                                                                        Loop ik het pad weer af

                                                                                        Thuis ben ik het liefst