Hallo mannen, ik ben Jenny een leuke meid van 26 jaar

Oude Man, Permanent, Senior, Volwassene, Oudere

Zijn oog valt op de contactadvertentie van Jenny. Blijft daar haken. Het lijkt alsof hij een oogje op haar heeft. Maar zij nog niet op hem. Dat kan natuurlijk ook niet want zij weet niet wie hij is. Nog niet. Hij voelt dat Jenny een mooie vrouw is. Hij kan het weten want hij heeft oog voor mooie vrouwen. Door de vrolijke aanstekende tekst van de advertentie gelooft hij in een klik tussen hen beide.

Maar goed, zij zijn nog niet samen. Alleen zijn vrouw al vormt een groot obstakel.

Rika, met wie hij eindeloos lang is getrouwd. Rika met haar eeuwige ruimvallende truien. Het oude vertrouwde gevoel wat hij bij haar heeft is niet voldoende. Het is tijd voor iets nieuws. Hij is per slot van rekening een krachtige man en nog niet zwak en oud. Gelukkig niet! Wel krijgt hij langzamer hand enkele kleine klachten, artrose in zijn rechter duim, pijn in zijn linker heup en nog wat kleine dingetjes.

Hij denkt na over hoe hij het  gaat aanpakken. Hij is een doener, maar moet dit toch goed overdenken. Allereerst de gezamenlijke bankrekening, hoe kan hij geld voor zich alleen ophalen. Rika kan dan wel niet zo goed meer zien maar ziet gelijk wanneer er geld van de rekening is gehaald. Maar waar een wil is loopt een weg. En zo geschiedt het.

Twee weken later, vroeger dan hij zelf had kunnen dromen staat hij voor de intercom van een hoge kleurloze flat. Hijzelf, kleurrijk met zijn roze das,  drukt op de zoemer. Weifelend. Maar even later klinkt zijn stem vastberaden:

‘Hallo, ik ben het Koos’

‘Kom maar binnen’.

We hebben toch ook af en toe vreselijk gelachen, Leontine

Jan Wijnia (janwijnia5) - Profiel | Pinterest

‘We hebben toch ook af en toe vreselijk gelachen, Leontine.’

Het komt haar voor, dat Diederik deze opmerking plaatst, om haar op te beuren. Zijn gezicht, naar haar neergebogen, de wenkbrauwen licht gefronst, bij zijn jukbenen een diepe groef ( kleine, hele kleine genoegdoening), de lippen van elkaar, Leontine kan het niet langer aanzien.

Ze buigt haar hoofd, voelt de schouders moedeloos naar beneden zakken, sluit haar benen en richt haar ogen op een denkbeeldig punt op de muur voor haar.

Hij praat verder zachtjes op haar in:

‘Je weet toch..’

‘Ik heb in het begin gelijk gezegd..’

‘Voor mij is het ook heel moeilijk..

O, hoe heeft ze zo stom kunnen zijn. Ze wendt haar hoofd af en kijk naar de wand rechts van hem. De muur is blauw, hemelblauw met kleine witte wolken en vele gele zonnen die haar allemaal stralend aankijken. Hoe misplaatst in dit verder strak ingerichte vertrek. De glazen tafel met de twee zwarte espressokopjes, de comfortabele bank met zachte kussens, de overige zwarte muren. En opeens ziet ze het, zij is een van de talrijke witte wolkjes in zijn fantastisch,  geweldig leven.

Haar doffe wanhoop maakt plaats voor langzaam omhoog kruipende felle rode woede, die bijna explodeert, wanneer ze zijn voeten gestoken in nonchalante, maar peperdure camel kleurige suède mocassins, op de grond ziet staan.

Ze pakt haar kopje koffie en gooit de inhoud schijnbaar onhandig, maar doelbewust over zijn rechter schoen. En terwijl hij verschrikt naar haar opkijkt, meent ze zelfs enige gekwetstheid te zien.

Ze staat op en zegt:

‘Kom, laten we gaan.’

Zeg het met bloemen

Boeket, Bos, Bloemen, Bloem, Blad

Haar oog valt op de man in de rij naast haar. Tussen de blauwwitte borden met aanbiedingen, de veelheid van viezig gekleurd, kleverig en plakkend snoepgoed staat hij daar met een bos bloemen in de hand. Zijn half lange blonde haar met een lichte slag erin valt ruim over de schouders. Hij draagt een zwarte spijkerbroek met een trui van een wat onbestemde zwartgrijze kleur. De onderarmen zijn bruin gekleurd met zwarte haren er op. Hij heeft slanke handen met lange vingers. Aan de linker pink draagt hij een zilverkleurige ring. Op zijn handen zit iets donkers, grond, alsof hij zojuist nog met zijn handen in de aarde woelde.

   Het komt haar voor dat hij daar helemaal alleen staat, alsof hij geen deel uit maakt van de stoet mensen voor en achter hem. Andere mensen kijken om zich heen, een beetje schuivend met of zonder mand of winkelwagen. De man staat onbeweeglijk. Omdat zij schuin voor hem staat, kan zij iets achteromkijkend, zijn ogen ontwaren. De lichtgroene ogen zijn schuin, links naar boven gericht. Het valt haar op dat er boven zijn neus een groefje zit in de vorm van een driehoek.

  Dan draait de man zijn hoofd opzij en kijkt de vrouw aan.

Hij was ver, ver weg met zijn gedachten. Ver hier vandaan, rijdend op zijn prachtige, stoere vrachtauto. Wonderlijk hoe heerlijk hij dat vindt, hij de muzikant die lawaai en zeker verkeerslawaai verfoeit, geniet, wanneer hij met zijn vrachtauto onderweg is. Alleen al de gedachte daaraan vervult hem kortstondig meteen geluksgevoel. Zijn hoofd zakt een beetje naar beneden, zijn adem wordt zacht en loom en het lijkt haast of zijn lichaam lichtjes heen en weer wiegt.

Dan verkrampt er iets, hij gaat terug naar huis, naar zijn moeder. Jaren geleden vertrok hij, ogenschijnlijk plotseling. Hij, de succesvolle, geslaagde zakenman. Hij had het helemaal gemaakt, behalve voor zich zelf. Doodongelukkig was hij geweest. Leeg. Opgebrand. Ver weg van zijn werkelijke verlangens en behoeften.

Bij de kassière rekent hij de bloemen af. Zij vraagt hem of hij een dagje-uit-zegel wil. Ontkennend schudt hij zijn hoofd. Iemand achter hem vraagt:

“O, mag ik dan uw zegel?” .

En dan breekt er iets bij hem. Het bloed suist met volle kracht door zijn lichaam, zijn keel toegeknepen. Hij weet het zeker hij kan het niet aan. De sfeer in de winkel, het dorp, zijn ouderlijk huis, hij past hier niet meer. Hij weet het zeker, hij moet onmiddellijk weg.

Hij loopt op de vrouw af, die hem eerder aankeek en geeft haar de bloemen.

oase

green-light-on-traffic-light-pole-with-good-sun-light-and-tree-on-picture-id1058106276 (509×339)

Ik sta bij het kruispunt van de Paterswoldseweg en Parcourslaan. Auto’s  rijden langzamer wanneer ze mij naderen. Soms stoppen ze en blijven stilstaan. Wachten voor het rode stoplicht. Naast de weg zijn fietsers en andere voertuigen. Tegenwoordig zie je veel van die groene brommers, met jongens of meisjes waarvan de lange haren wijduit wapperen. Daarnaast heb je weer voetgangers, wandelaars of boodschappers met een tas in de hand die soms uitpuilt met pakken melk of een bos oranjewinterpeen met groen loof. Allemaal passeren ze mij. Blijven staan en kijken om zich heen. Kijken naar de lucht boven zich. Kijken  op hun kleine schermpjes waar ze pietputterig met hun vingers over heen en weer snellen. En soms dwalen hun ogen naar mij. Blijven even rusten of dwalen verder.

Ik vind het fijn wanneer ze naar mij kijken. Probeer mijn arm op te heffen om naar ze te zwaaien. Het lukt niet zo goed. Ik ben nogal stram van lijf en leden. Het is goed wanneer ze mij zien. Niet alleen omdat ik dat zelf leuk vind. Maar ook omdat ik een mini -mini rustpauze ben in hun leven. In hun snelle-sneller-snellere leven. Leven dat voortraast. Doordendert. Rondtolt. Ik sta stil. Altijd. Ik ben puur natuur. Bruin met op gezette tijden wat groen.

Soms waait de wind zachtjes door en mijn ledematen. Soms zwiept en buldert hij.

Ik wil dat je weet dat ik klaar sta voor jou. Wanneer je maar wilt. Ik ben een oase in jouw bestaan. Heel kort, heel even. Je vindt mij op het kruispunt van de Paterswoldseweg en de Parcourslaan. Vlakbij waar het Stadspark begint.

Ik ben een boom. Binnenkort tooi ik mij in mooi lentegroen.

Snoetschoetje

Snoetschoetje

Daar liggen we dan! Blauwwitje, Rosa en Goudblad. Schoongewassen, nog vochtig gekreukt te drogen op de vensterbank boven de verwarming. Het was hard nodig. We waren verworden tot smerig, aangekoekte snottelappen.  Wij staan in de frontlinie en knappen het vuile werk op. Des te merkwaardiger dat wij zo lang zijn verguisd. Becommentarieerd. Afgeserveerd. Maar goed, het tij is gekeerd. Nu zijn wij populair. Voor het afweren van ronddansende aerosolen.  Voor de gezondheid van onze drager. Wij gaan mee in hun jassen, bedekken de gezichten. We leggen heel wat kilometers af. Naar winkels en boswandelingen. Wij absorberen spanning en stress.  Adem in – adem uit.

Het is leuk om hier samen te zijn. Samen kletsen. Samen roddelen. Over dat onze eigenaars met ons  veel zelfbewuster ergens naar binnen gaan. Ze voelen zich veiliger hoewel het nog maar de vraag is of dat werkelijk zo is. Maar laat ze dat vooral denken.  

We vertellen over hoesters, proesters en kuchers.  Over voorzichtigers met hun schichtig heen en weer springende ogen, over slordigers en friemelende pulkers met onder de neus of kin half afgezakte doekjes. Onverschilligers met blote gezichten.

En dan onze soortgenoten. Van papier, bedrukt met bloemen of motieven. Maar niemand, niemand  is zo mooi als wij. Voel onze mooie zachte katoenen stof. Ons welgevormd model. Onze prachtige kleuren. Wij zijn een lust voor het oog.

Binnenkort is het zover. Dan wordt Kerst gevierd met de halve familie. Maar wij zijn voltallig , alle drie.

Sudderlapje

Vandaag is het 9 november, de verjaardag van mijn schoonmoeder. Zij zou dit jaar 96 zijn geworden.. Ik wil haar graag eren met dit verhaal.

Sudderlapje

‘Ik wil dat eten niet’, zegt ze met luide boze stem. Ze schuift het bord voor haar naar het midden van de grote tafel. De anderen, haar medebewoners lijken onverstoorbaar en eten gestaag hun bord verder leeg.

Mensen met de ziekte dementie ontroeren mij. Hun kwetsbaarheid, maar ook hun gevoel voor humor, plotselinge wisselingen van humeuren, blijdschap om een zachte aanraking.

Ze zeggen wat ze vinden, zijn boos, verdrietig of blij. Natuurlijk zijn daar ook nare momenten bij: verwarring, ongeremde boosheid of woede en angst of onzekerheid. Maar die momenten waaien over, als wolken in de lucht. En dan schijn zo maar weer even de zon.

Mijn schoonmoeder woont sinds een aantal weken in het verpleeghuis. Zij heeft vasculaire dementie en kan niet langer alleen wonen. De overgang van de eigen woning naar haar nieuwe onderkomen is gelukkig vrij soepel verlopen. Ze heeft het naar haar zin op haar nieuwe kamer met de eigen oude meubels en vele snuisterijtjes. Ook in de huiskamer vindt ze het gezellig met de andere bewoners.

Deze week nam het verzorgende contact met mij op. Het zou niet lekker lopen met de maaltijden. Of ik een keer aanwezig wilde zijn om het met eigen ogen te kunnen zien.

Ik pak het bord vast en beweeg het voorzichtig haar kant op. Dat valt helemaal verkeerd.

Ruw schuift ze het bord opzij. Een in jus gedrenkte aardappel en enkele rode bietjes komen naast het bord op de tafel terecht.

‘Mam’ probeer ik

‘Nee, nee, nee, ik wil die troep niet’

Ik sus, blus maar niets helpt.

‘Wat wil je wel?’

‘Ik wil het zelfde als zij allemaal’

Ha, nu is het duidelijk. Mijn schoonmoeder, een trouw vegetariër sinds een dertigtal jaren, krijgt een andere maaltijd dan de overige bewoners. Een maaltijd zonder vlees. En dat bevalt haar niet.

Ik loop de huiskamer uit en bel met mijn schoonzuster, ook vegetariër. We overleggen kort. Gelukkig is zij met mij van mening dat voortaan onze (schoon)moeder dezelfde maaltijd als de andere bewoners krijgt.

Even later heb ik het bord omgewisseld. Mijn schoonmoeder straalt.

Smullend smakt ze een stukje vlees naar binnen.

‘Mmm..  lekker  sudderlapje.’

De dwerg en sneeuwwitje

In deze coronatijd worden we overspoeld met negatieve berichten. Ik wil daarom vandaag een positief verhaal vertellen. Het sprookje van sneeuwwitje en de zeven dwergen. Sneeuwwitje is ziek zoals vele mensen nu. De zeven dwergen geven haar veel zorg en liefde. Maar is dat genoeg? Word sneeuwwitje weer beter? Het verhaal wordt verteld vanuit de kleinste dwerg Pedrev.

Dwerg, Snoep, Suiker, Zeven, 7, Zoete

De dwerg en Sneeuwwitje

‘Friemela  froemela  fuchsia

Bliezende blurrende  begonia’

Stevig doorstappend loopt de dwerg zingend de heuvel op. Wanneer hij de top in het vizier krijgt, wordt zijn gezicht opgelicht door de late, langzame namiddagzon. Uit zijn mond komen kleine ademwolkjes. Zijn, door stoere kaplaarzen omsloten voeten, buitelen haast over elkaar heen, omhoog omhoog!

Pedrev is de kleinste van de zeven dwergen van het boshuis uit het dal beneden. Iedere dag loopt hij om precies dezelfde tijd op precies dezelfde weg naar precies dezelfde bestemming.

Het is de hele dag een gaan en komen van alle dwergen. Iedere dwerg gaat op een vast tijdstip naar boven en later weer naar beneden.

Boven aanbeland ziet hij Roeski zitten op een kussentje met rozerode rozen. Naast hem staat een rugtas. De meeste dwergen nemen wat te lezen en te knabbelen mee om de tijd te doden. Pedrev heeft alleen een zakje bij zich waarin een doekje en een schroevendraaier zit.

Het is het moment van wisseling van de wacht. Roeski aanvaardt de terugtocht en verdwijnt langzaam uit het zicht. Pedrev wacht nog even en pakt dan het zakje en haalt langzaam, heel langzaam de schroevendraaier tevoorschijn. Dit is een groots moment. Hij kijkt naar de kist en werpt een blik door het glazen deksel. Zijn gezicht straalt. Daar ligt ze, Sneeuwwitje, zijn Sneeuwwitje, lijkbleek in de kist.

Hij draait de zeven schroeven van het deksel los, kijkt om zich heen, kijkt nog een keer, opent het deksel en kruipt vliegensvlug naar binnen. Hij maakt zich klein en nestelt zich in haar oksel. Later drukt hij een zacht kusje op haar voorhoofd en verlaat de kist. Weer later loopt hij langzaam, langzaam de heuvel af.

De volgende dag.

Pedrev wordt wakker van lawaai. Hij kan het niet plaatsen. Wanneer hij zijn ogen opent ziet hij de dwergen. De gezichten versierd met rode blosjes, felle ogen en met veel geroep dansen ze de kamer rond. Adruktis schreeuwt hem toe:

‘Sneeuwwitje leeft, ze leeft… ze gaat trouwen met de prins, haar redder, leve Sneeuwwitje’

‘Sneeuwwitje, nee! nee!  nee! , ze was toch zijn prinses? ‘ Het wordt Pedrev gitzwart voor de ogen.

Hij voorziet een lang en ellendig leven.

Natuurlijk trouwt Sneeuwwitje met de prins. Ze wonen in een prachtig paleis, met deurknoppen van goud, diamanten raamkozijnen, fluwelen deuren en eten elke dag taartjes vol heerlijke vruchten met een toef slagroom. De prins is de liefste, mooiste, aardigste man van het hele land en houdt met heel zijn hart van Sneeuwwitje.

Haar hart, of liever gezegd, haar linker oksel voelt echter koud en leeg aan. Ze probeert de leegte met alles te vullen; een kruik, een heus okselkussentje, het helpt niet. De prins hevig verontrust, belegt een vergadering met de knapste professors, het helpt niet.

‘Friemela froemela fuchsia

Bliezende blurrende begonia’

Helder klinkt de stem van Pedrev terwijl hij in gezwinde pas het paleis nadert. Vannacht vertelde de droom hem onmiddellijk Sneeuwwitje te bezoeken. Hij is benieuwd maar vooral verlangend haar weer te zien. De lakei met witte pruik en glanzende hoge laarzen brengt hem naar de slaapkamer, waar Sneeuwwitje lusteloos naar zich zelf in de spiegel staart.

En dan gebeurt het. Sneeuwwitje spreidt haar armen en met een vreugdekreet springt Pedrev omhoog naar het welbekende heerlijke plekje. Vanaf deze dag ligt Pedrev elke ochtend, om precies dezelfde tijd (wanneer de prins het bed verlaat) op precies het zelfde plekje. En hij leefde nog lang en gelukkig.

AFTER DINNER

After-dinner

De stemmen gonzen als bijen rond zijn hoofd.  De gasten, vrienden,  hebben genoten van het eten. De begeleidende witte en rode wijn versterkt het voldane gevoel. Er heerst een lome, doezige stemming.

Nu is het zijn beurt. Olaf staat op en loopt rustig naar de keuken. Liefkozend raakt hij in het voorbijgaan het apparaat aan. Vanuit zijn linker ooghoek ziet hij een paar vlekjes, kleine oneffenheden. Hij pakt een schone doek en poetst het weer schoon. Alles blinkt en glimt. Zijn hart zwelt, met een trotse blik kijkt hij naar zijn espressomachine.

De kopjes, verschillend van kleur, worden met kokend water gevuld op het aanrecht gezet. Hij weet al precies wie welk kopje krijgt. Hij draait het deksel van de koffiemolen open. De diepdonkere geur van de Colombiaanse koffiebonen, stijgt hem naar het hoofd.

Met het borsteltje verwijdert hij koffiedrap uit de filter aan de rechterkant van de machine. De bonen maalt hij ruim voorbij stand zes, iets minder dan stand zeven. Hij let goed op dat de kopjes tot op juiste hoogte met koffie worden gevuld. De kopjes worden gedroogd en op een van tevoren klaargelegd keukenrolpapiertje gezet.

Tevreden kijkt hij naar het dunne crème-bruine schuimlaagje op de bovenkant van de koffie, vol, romig en een beetje vettig.

Hij gunt zijn gasten het allerbeste, hij draagt ze een warm hart toe.

Madelieven

Madeliefje, Bloem, Bloesem, Witte, Bellis Filosofie

heet het verhaal voor vandaag. Bedankt voor jullie reacties op mijn vraag voor nieuw schrijfvoer. Vandaag dit verhaal dus, met het thema hond-baas. Er zijn nog andere opties, waarover ik kan en ga schrijven. Maar eerst nu graag jullie aandacht voor…

Madelieven

Stap        stap            stap Stap- stap –stap- stap- stap Mijn baas is een lieve bazin. Maar ze loopt wel snel. Heel snel. Altijd in de starthouding. Op weg naar het éen of ander. Vaak naar feestjes. Mijn bazin is dol op feestjes. Op dansen. Mensen weten haar wel te vinden. Komen graag bij haar. Ze is gul. Gul in het geven. Ook aan mij. Ik houd van haar. Maar ik ben niet blind voor haar foutjes. Neiging tot een beetje slordigheid tot verdriet van haar man. Te volle agenda’s. Soms denk ik wel eens ‘ze rent haar leven voorbij’. Maar dat vindt zij niet. Zij geniet, zij leeft het leven. Ik probeer haar soms af te remmen, loop met mijn lome langzame hondenpassen. Het helpt niets.

S ’nachts hoor ik haar wel eens zuchten. Of hoor ik de zoveelste bladzijde van een boek omslaan. Met enige regelmaat staat ze op. Dat is fijn want dan word ik uitgebreid geaaid en beknuffeld. En dan hebben we tijd voor een goed gesprek. Zij vertelt. Ik luister. Over haar zorgen die er soms ook zijn. Door mij wordt ze weer rustig. Voor mij is het een kleine moeite. Mijn aanwezigheid is al voldoende. Haar hand beweegt langzaam over mijn rug. Langzaam, langzamer. Traag. Houdt stil op mijn kop. Dan kom ik in actie. Ik geef haar een volle lik over haar hand. Het liefst over haar gezicht, maar daar houdt ze niet van. Voor mij zijn de nachten ook niet altijd een pretje. Ik word helaas geplaagd door een aantal kwalen, ik ga ze hier niet noemen. Maar vooral s ’nachts word ik regelmatig belaagd door ongewenste oprispingen en onwelriekende geuren. Mijn bazin is er dan altijd voor mij. Ze klaagt niet, ruimt op en spreekt lieve woordjes tegen mij.

Binnen in mij is een stil verlangen Een verlangen naar vroeger, toen mijn bazin nog een jong meisje was. Een vrolijk huppelend kind dat soms languit in het gras ligt. Met armen boven haar hoofd. Zij kijkt naar boven. Naar de blauwe lucht. Naar witte wolken die langzaam voorbij drijven. Naar de zon die haar ogen een beetje doet dichtknijpen. Ik lig naast haar, met uitgestrekte poten. Ik kijk naar haar. Haar tong steekt een stukje uit haar mond. Vol aandacht houdt ze madeliefjes in haar hand. Ze prikt een klein gaatje in de stengel en steekt er een ander madeliefje doorheen. En nog éen, en nog éen. Totdat er twee bloemenkransen zijn. Eén voor haar, éen voor mij. Ik moet zeggen dat de wit-gele madelieven mooi kleurt bij mijn diepzwarte vacht. We staan op. Ik leg mijn poten op haar schouders. We maken een dansje.