oase

green-light-on-traffic-light-pole-with-good-sun-light-and-tree-on-picture-id1058106276 (509×339)

Ik sta bij het kruispunt van de Paterswoldseweg en Parcourslaan. Auto’s  rijden langzamer wanneer ze mij naderen. Soms stoppen ze en blijven stilstaan. Wachten voor het rode stoplicht. Naast de weg zijn fietsers en andere voertuigen. Tegenwoordig zie je veel van die groene brommers, met jongens of meisjes waarvan de lange haren wijduit wapperen. Daarnaast heb je weer voetgangers, wandelaars of boodschappers met een tas in de hand die soms uitpuilt met pakken melk of een bos oranjewinterpeen met groen loof. Allemaal passeren ze mij. Blijven staan en kijken om zich heen. Kijken naar de lucht boven zich. Kijken  op hun kleine schermpjes waar ze pietputterig met hun vingers over heen en weer snellen. En soms dwalen hun ogen naar mij. Blijven even rusten of dwalen verder.

Ik vind het fijn wanneer ze naar mij kijken. Probeer mijn arm op te heffen om naar ze te zwaaien. Het lukt niet zo goed. Ik ben nogal stram van lijf en leden. Het is goed wanneer ze mij zien. Niet alleen omdat ik dat zelf leuk vind. Maar ook omdat ik een mini -mini rustpauze ben in hun leven. In hun snelle-sneller-snellere leven. Leven dat voortraast. Doordendert. Rondtolt. Ik sta stil. Altijd. Ik ben puur natuur. Bruin met op gezette tijden wat groen.

Soms waait de wind zachtjes door en mijn ledematen. Soms zwiept en buldert hij.

Ik wil dat je weet dat ik klaar sta voor jou. Wanneer je maar wilt. Ik ben een oase in jouw bestaan. Heel kort, heel even. Je vindt mij op het kruispunt van de Paterswoldseweg en de Parcourslaan. Vlakbij waar het Stadspark begint.

Ik ben een boom. Binnenkort tooi ik mij in mooi lentegroen.

Snoetschoetje

Snoetschoetje

Daar liggen we dan! Blauwwitje, Rosa en Goudblad. Schoongewassen, nog vochtig gekreukt te drogen op de vensterbank boven de verwarming. Het was hard nodig. We waren verworden tot smerig, aangekoekte snottelappen.  Wij staan in de frontlinie en knappen het vuile werk op. Des te merkwaardiger dat wij zo lang zijn verguisd. Becommentarieerd. Afgeserveerd. Maar goed, het tij is gekeerd. Nu zijn wij populair. Voor het afweren van ronddansende aerosolen.  Voor de gezondheid van onze drager. Wij gaan mee in hun jassen, bedekken de gezichten. We leggen heel wat kilometers af. Naar winkels en boswandelingen. Wij absorberen spanning en stress.  Adem in – adem uit.

Het is leuk om hier samen te zijn. Samen kletsen. Samen roddelen. Over dat onze eigenaars met ons  veel zelfbewuster ergens naar binnen gaan. Ze voelen zich veiliger hoewel het nog maar de vraag is of dat werkelijk zo is. Maar laat ze dat vooral denken.  

We vertellen over hoesters, proesters en kuchers.  Over voorzichtigers met hun schichtig heen en weer springende ogen, over slordigers en friemelende pulkers met onder de neus of kin half afgezakte doekjes. Onverschilligers met blote gezichten.

En dan onze soortgenoten. Van papier, bedrukt met bloemen of motieven. Maar niemand, niemand  is zo mooi als wij. Voel onze mooie zachte katoenen stof. Ons welgevormd model. Onze prachtige kleuren. Wij zijn een lust voor het oog.

Binnenkort is het zover. Dan wordt Kerst gevierd met de halve familie. Maar wij zijn voltallig , alle drie.

Sudderlapje

Vandaag is het 9 november, de verjaardag van mijn schoonmoeder. Zij zou dit jaar 96 zijn geworden.. Ik wil haar graag eren met dit verhaal.

Sudderlapje

‘Ik wil dat eten niet’, zegt ze met luide boze stem. Ze schuift het bord voor haar naar het midden van de grote tafel. De anderen, haar medebewoners lijken onverstoorbaar en eten gestaag hun bord verder leeg.

Mensen met de ziekte dementie ontroeren mij. Hun kwetsbaarheid, maar ook hun gevoel voor humor, plotselinge wisselingen van humeuren, blijdschap om een zachte aanraking.

Ze zeggen wat ze vinden, zijn boos, verdrietig of blij. Natuurlijk zijn daar ook nare momenten bij: verwarring, ongeremde boosheid of woede en angst of onzekerheid. Maar die momenten waaien over, als wolken in de lucht. En dan schijn zo maar weer even de zon.

Mijn schoonmoeder woont sinds een aantal weken in het verpleeghuis. Zij heeft vasculaire dementie en kan niet langer alleen wonen. De overgang van de eigen woning naar haar nieuwe onderkomen is gelukkig vrij soepel verlopen. Ze heeft het naar haar zin op haar nieuwe kamer met de eigen oude meubels en vele snuisterijtjes. Ook in de huiskamer vindt ze het gezellig met de andere bewoners.

Deze week nam het verzorgende contact met mij op. Het zou niet lekker lopen met de maaltijden. Of ik een keer aanwezig wilde zijn om het met eigen ogen te kunnen zien.

Ik pak het bord vast en beweeg het voorzichtig haar kant op. Dat valt helemaal verkeerd.

Ruw schuift ze het bord opzij. Een in jus gedrenkte aardappel en enkele rode bietjes komen naast het bord op de tafel terecht.

‘Mam’ probeer ik

‘Nee, nee, nee, ik wil die troep niet’

Ik sus, blus maar niets helpt.

‘Wat wil je wel?’

‘Ik wil het zelfde als zij allemaal’

Ha, nu is het duidelijk. Mijn schoonmoeder, een trouw vegetariër sinds een dertigtal jaren, krijgt een andere maaltijd dan de overige bewoners. Een maaltijd zonder vlees. En dat bevalt haar niet.

Ik loop de huiskamer uit en bel met mijn schoonzuster, ook vegetariër. We overleggen kort. Gelukkig is zij met mij van mening dat voortaan onze (schoon)moeder dezelfde maaltijd als de andere bewoners krijgt.

Even later heb ik het bord omgewisseld. Mijn schoonmoeder straalt.

Smullend smakt ze een stukje vlees naar binnen.

‘Mmm..  lekker  sudderlapje.’

De dwerg en sneeuwwitje

In deze coronatijd worden we overspoeld met negatieve berichten. Ik wil daarom vandaag een positief verhaal vertellen. Het sprookje van sneeuwwitje en de zeven dwergen. Sneeuwwitje is ziek zoals vele mensen nu. De zeven dwergen geven haar veel zorg en liefde. Maar is dat genoeg? Word sneeuwwitje weer beter? Het verhaal wordt verteld vanuit de kleinste dwerg Pedrev.

Dwerg, Snoep, Suiker, Zeven, 7, Zoete

De dwerg en Sneeuwwitje

‘Friemela  froemela  fuchsia

Bliezende blurrende  begonia’

Stevig doorstappend loopt de dwerg zingend de heuvel op. Wanneer hij de top in het vizier krijgt, wordt zijn gezicht opgelicht door de late, langzame namiddagzon. Uit zijn mond komen kleine ademwolkjes. Zijn, door stoere kaplaarzen omsloten voeten, buitelen haast over elkaar heen, omhoog omhoog!

Pedrev is de kleinste van de zeven dwergen van het boshuis uit het dal beneden. Iedere dag loopt hij om precies dezelfde tijd op precies dezelfde weg naar precies dezelfde bestemming.

Het is de hele dag een gaan en komen van alle dwergen. Iedere dwerg gaat op een vast tijdstip naar boven en later weer naar beneden.

Boven aanbeland ziet hij Roeski zitten op een kussentje met rozerode rozen. Naast hem staat een rugtas. De meeste dwergen nemen wat te lezen en te knabbelen mee om de tijd te doden. Pedrev heeft alleen een zakje bij zich waarin een doekje en een schroevendraaier zit.

Het is het moment van wisseling van de wacht. Roeski aanvaardt de terugtocht en verdwijnt langzaam uit het zicht. Pedrev wacht nog even en pakt dan het zakje en haalt langzaam, heel langzaam de schroevendraaier tevoorschijn. Dit is een groots moment. Hij kijkt naar de kist en werpt een blik door het glazen deksel. Zijn gezicht straalt. Daar ligt ze, Sneeuwwitje, zijn Sneeuwwitje, lijkbleek in de kist.

Hij draait de zeven schroeven van het deksel los, kijkt om zich heen, kijkt nog een keer, opent het deksel en kruipt vliegensvlug naar binnen. Hij maakt zich klein en nestelt zich in haar oksel. Later drukt hij een zacht kusje op haar voorhoofd en verlaat de kist. Weer later loopt hij langzaam, langzaam de heuvel af.

De volgende dag.

Pedrev wordt wakker van lawaai. Hij kan het niet plaatsen. Wanneer hij zijn ogen opent ziet hij de dwergen. De gezichten versierd met rode blosjes, felle ogen en met veel geroep dansen ze de kamer rond. Adruktis schreeuwt hem toe:

‘Sneeuwwitje leeft, ze leeft… ze gaat trouwen met de prins, haar redder, leve Sneeuwwitje’

‘Sneeuwwitje, nee! nee!  nee! , ze was toch zijn prinses? ‘ Het wordt Pedrev gitzwart voor de ogen.

Hij voorziet een lang en ellendig leven.

Natuurlijk trouwt Sneeuwwitje met de prins. Ze wonen in een prachtig paleis, met deurknoppen van goud, diamanten raamkozijnen, fluwelen deuren en eten elke dag taartjes vol heerlijke vruchten met een toef slagroom. De prins is de liefste, mooiste, aardigste man van het hele land en houdt met heel zijn hart van Sneeuwwitje.

Haar hart, of liever gezegd, haar linker oksel voelt echter koud en leeg aan. Ze probeert de leegte met alles te vullen; een kruik, een heus okselkussentje, het helpt niet. De prins hevig verontrust, belegt een vergadering met de knapste professors, het helpt niet.

‘Friemela froemela fuchsia

Bliezende blurrende begonia’

Helder klinkt de stem van Pedrev terwijl hij in gezwinde pas het paleis nadert. Vannacht vertelde de droom hem onmiddellijk Sneeuwwitje te bezoeken. Hij is benieuwd maar vooral verlangend haar weer te zien. De lakei met witte pruik en glanzende hoge laarzen brengt hem naar de slaapkamer, waar Sneeuwwitje lusteloos naar zich zelf in de spiegel staart.

En dan gebeurt het. Sneeuwwitje spreidt haar armen en met een vreugdekreet springt Pedrev omhoog naar het welbekende heerlijke plekje. Vanaf deze dag ligt Pedrev elke ochtend, om precies dezelfde tijd (wanneer de prins het bed verlaat) op precies het zelfde plekje. En hij leefde nog lang en gelukkig.

AFTER DINNER

After-dinner

De stemmen gonzen als bijen rond zijn hoofd.  De gasten, vrienden,  hebben genoten van het eten. De begeleidende witte en rode wijn versterkt het voldane gevoel. Er heerst een lome, doezige stemming.

Nu is het zijn beurt. Olaf staat op en loopt rustig naar de keuken. Liefkozend raakt hij in het voorbijgaan het apparaat aan. Vanuit zijn linker ooghoek ziet hij een paar vlekjes, kleine oneffenheden. Hij pakt een schone doek en poetst het weer schoon. Alles blinkt en glimt. Zijn hart zwelt, met een trotse blik kijkt hij naar zijn espressomachine.

De kopjes, verschillend van kleur, worden met kokend water gevuld op het aanrecht gezet. Hij weet al precies wie welk kopje krijgt. Hij draait het deksel van de koffiemolen open. De diepdonkere geur van de Colombiaanse koffiebonen, stijgt hem naar het hoofd.

Met het borsteltje verwijdert hij koffiedrap uit de filter aan de rechterkant van de machine. De bonen maalt hij ruim voorbij stand zes, iets minder dan stand zeven. Hij let goed op dat de kopjes tot op juiste hoogte met koffie worden gevuld. De kopjes worden gedroogd en op een van tevoren klaargelegd keukenrolpapiertje gezet.

Tevreden kijkt hij naar het dunne crème-bruine schuimlaagje op de bovenkant van de koffie, vol, romig en een beetje vettig.

Hij gunt zijn gasten het allerbeste, hij draagt ze een warm hart toe.

Madelieven

Madeliefje, Bloem, Bloesem, Witte, Bellis Filosofie

heet het verhaal voor vandaag. Bedankt voor jullie reacties op mijn vraag voor nieuw schrijfvoer. Vandaag dit verhaal dus, met het thema hond-baas. Er zijn nog andere opties, waarover ik kan en ga schrijven. Maar eerst nu graag jullie aandacht voor…

Madelieven

Stap        stap            stap Stap- stap –stap- stap- stap Mijn baas is een lieve bazin. Maar ze loopt wel snel. Heel snel. Altijd in de starthouding. Op weg naar het éen of ander. Vaak naar feestjes. Mijn bazin is dol op feestjes. Op dansen. Mensen weten haar wel te vinden. Komen graag bij haar. Ze is gul. Gul in het geven. Ook aan mij. Ik houd van haar. Maar ik ben niet blind voor haar foutjes. Neiging tot een beetje slordigheid tot verdriet van haar man. Te volle agenda’s. Soms denk ik wel eens ‘ze rent haar leven voorbij’. Maar dat vindt zij niet. Zij geniet, zij leeft het leven. Ik probeer haar soms af te remmen, loop met mijn lome langzame hondenpassen. Het helpt niets.

S ’nachts hoor ik haar wel eens zuchten. Of hoor ik de zoveelste bladzijde van een boek omslaan. Met enige regelmaat staat ze op. Dat is fijn want dan word ik uitgebreid geaaid en beknuffeld. En dan hebben we tijd voor een goed gesprek. Zij vertelt. Ik luister. Over haar zorgen die er soms ook zijn. Door mij wordt ze weer rustig. Voor mij is het een kleine moeite. Mijn aanwezigheid is al voldoende. Haar hand beweegt langzaam over mijn rug. Langzaam, langzamer. Traag. Houdt stil op mijn kop. Dan kom ik in actie. Ik geef haar een volle lik over haar hand. Het liefst over haar gezicht, maar daar houdt ze niet van. Voor mij zijn de nachten ook niet altijd een pretje. Ik word helaas geplaagd door een aantal kwalen, ik ga ze hier niet noemen. Maar vooral s ’nachts word ik regelmatig belaagd door ongewenste oprispingen en onwelriekende geuren. Mijn bazin is er dan altijd voor mij. Ze klaagt niet, ruimt op en spreekt lieve woordjes tegen mij.

Binnen in mij is een stil verlangen Een verlangen naar vroeger, toen mijn bazin nog een jong meisje was. Een vrolijk huppelend kind dat soms languit in het gras ligt. Met armen boven haar hoofd. Zij kijkt naar boven. Naar de blauwe lucht. Naar witte wolken die langzaam voorbij drijven. Naar de zon die haar ogen een beetje doet dichtknijpen. Ik lig naast haar, met uitgestrekte poten. Ik kijk naar haar. Haar tong steekt een stukje uit haar mond. Vol aandacht houdt ze madeliefjes in haar hand. Ze prikt een klein gaatje in de stengel en steekt er een ander madeliefje doorheen. En nog éen, en nog éen. Totdat er twee bloemenkransen zijn. Eén voor haar, éen voor mij. Ik moet zeggen dat de wit-gele madelieven mooi kleurt bij mijn diepzwarte vacht. We staan op. Ik leg mijn poten op haar schouders. We maken een dansje.

Goedemiddag

Vandaag het laatste verhaal over mijn broertje. Ik heb graag over hem geschreven, steeds vanuit een andere invalshoek. Ik hoop dat het is bevallen. De vorige keer heb ik gevraagd of jullie ideeën of tips hebben voor nieuwe verhalen. Ik heb al een aantal suggesties gehad bijv. een thrillerverhaal, verhalen over honden en hun bazen, geschreven vanuit de hond en een sprookje. Bedankt daarvoor. Maar nieuwe suggesties zijn altijd welkom. De komende vier weken neem ik een schrijfvakantie. Daarna horen jullie weer van mij. Voor nu wens ik jullie veel leesplezier!

Wolk, Hart, Liefde, Romance, Romantische, Droom

De drie Petertjes

‘Ik weet het niet’ zegt Ida. Ze trekt de spiertjes rond haar ogen samen en tuurt voor zich uit. Ik vind het juist geweldig nieuws. Mijn nieuw geboren neefje heet ´Peter’. Vernoemd naar ons broertje en naar mijn vader. Ik snap niet dat Ida zo reageert nu haar zoon Thomas zijn kind heeft vernoemd naar de beide Peters. ‘Maar waarom dan niet?’ ´Nou, het leven van de twee andere Peters ging bepaald niet over rozen’. Ik wilde net iets zeggen maar sluit mijn mond. Daar heeft ze een punt. ‘Ik ben bang dat de geschiedenis zich herhaalt’ vervolgt ze. ‘Dat hoeft toch niet?’ Nee, maar het kan wel’. ‘Misschien doorbreekt Peter dit patroon’. De wens aan een positieve toekomst klinkt door in mijn stem. Een positieve toekomst voor dit pasgeboren kindje maar ook die voor van mijzelf. En voor de rest van mijn familie. Ida knikt.

Als kind voelde ik dat er iets zwaars op mijn vader drukte als een donkergrijze wolk die stil en onbeweeglijk boven de lucht hangt. En ach ja, op mijn manier probeerde ik zijn zonnestraal te zijn. Een oom zei een keer tegen mij: ‘Peter heeft veel pech gehad, het heeft hem vaak tegen gezeten.´ Hij vertelde dat zij beiden tijdens de Tweede Wereldoorlog waren ondergedoken om onder de ‘Arbeitseinsatz’ uit te komen. De verplichting om als Nederlander te gaan werken voor de Duitse bezetter wilden zij niet. Mijn vader werd verraden en heeft bijna drie ellendige jaren in een Nederlands en Duits strafkamp doorgebracht. Mijn oom die niet werd opgepakt had een redelijke tijd op de boerderij van zijn vader. Zo waren er nog een aantal andere nare ervaringen in het leven van mijn vader. Maar natuurlijk waren er ook goede dingen. Zijn lieve moeder, de vier zusters en zijn kleine broer, de eerste huwelijksjaren met mijn moeder, Ida en ik, zijn eigen zuinig verdiende auto’s, eerst de Fiat vijfhonderd en later de witte Kever. Wanneer mijn vader buiten was werd hij een andere man. Vrijer, blijer. En lichter, veel lichter. Veel later, pas na zijn dood kwam mij het besef dat hij ook zelf verantwoordelijk was voor het leven dat hij leidde. Voor de keuzes die hij wel of niet had gemaakt. Die hij had kunnen maken.

Mijn moeders derde zwangerschap viel haar zwaar. Nog maar net bekomen van de geboorte van haar tweede dochter voelde ze zich moe, lamgeslagen. Deze keer was ze extra dik. Ze wist dat mijn vader daar niet van hield. De meeste mannen zijn trots op hun vrouws dikke buik. Mijn vader niet. Zij zag het misprijzen weerspiegeld in zijn ogen. Ze wist zich onaantrekkelijk. De bevalling werd een veldslag, waarin haar zoon overleed en zij zelf ter nauwer nood overleefde. Nog jaren daarna voelde haar leven grauw en glansloos.

Het is zondagmorgen. De telefoon gaat. Het is Ida. Haar stem klinkt gespannen. Gejaagd buitelen woorden over elkaar heen: ‘  Peter.. ziekenhuis.. zware epileptische aanval..’. ‘Dus toch’. Ik denk terug aan het gesprek van Ida en mij vlak na de geboorte van Peter. Hij blijkt een ernstige vorm van epilepsie te hebben. Met als waarschijnlijke gevolg een achterstand in zijn verdere mentale en lichamelijke ontwikkeling. Zware weken volgden, donker van onzekerheid. En toch, toch knapt hij weer op. Dapper kind!  Scans geven hoop op een positievere toekomst, inclusief een aantal mitsen en maren. Er kleurt een horizon met aarzelende tinten.

Vandaag zit ik in de tuin. Samen met mijn familie. Ook Thomas is er met zijn goedlachse vrouw Esther, hun pasgeboren zoon Johan en Peter. Het is mooi weer, het eten smaakt goed. De stemming is opperbest. Er wordt druk gepraat, gelachen. Mijn blik dwaalt naar het pad dat zich slingerend door de tuin beweegt. Op het pad loopt Peter. Met een kruiwagen draaft hij onvermoeibaar heen en weer. Wanneer zijn moeder hem roept loopt hij naar ons toe. Hij maakt mij blij. Met zijn open gezicht, met zijn brede volle lach.

Lieve lezers

Vandaag staat het voorlaatste verhaal over mijn broertje op dit blog. Over twee weken dus de laatste keer. Graag hoor ik van jullie wat je van deze serie verhalen vindt. Ook hoor ik graag suggesties over thema’s waarover ik verder kan schrijven. Soms heb ik zelf wel ideeën, maar niet altijd. Misschien vindt je het leuk om een keer een gedicht te lezen. Ook dat hoor ik graag. En ni dan het verhaal.

STEL DAT…

We zitten met ons drieën dicht tegen elkaar aan op de achterbank van de witte Kever,Ida, Peter en ik. Voorin zit papa. En naast hem, op de voorbank onze hond Boefje. Keurig rechtop kijkt hij voor zich uit. We zijn onderweg naar Vosbergen, mijn lievelingsbos. Nou ja, ik ken ook geen ander bos, maar toch! Even later lopen we op een bospad. Ida en Peter doen een wedstrijd hardlopen. Ze rennen ver voor ons uit. Papa en ik lopen naast elkaar. Papa is blij. Dat weet ik want hij fluit. We gaan zitten op een liggende grote boomstam. Papa pakt een sigaret. Kleine rookwolkjes kringelen omhoog. Ik voel me stil en blij.

Dan komen Ida en Peter met veel kabaal terug. ‘Ik heb gewonnen’. ‘Nee ik’ roept Peter. Zijn stem klinkt verontwaardigd. We slenteren verder. Onze voeten schoppen door bladeren op de grond. Het knispert en er komen donkere geuren tevoorschijn. Bruine paddenstoelen of zoiets. Ik zie een mooie boom met brede takken en klim omhoog. Wanneer ik weer beneden sta liggen Peter en Boefje samen op de grond. Ze omarmen elkaar met armen en poten.

Ze staat voor het raam wanneer de auto de straat binnenrijdt. Portieren gaan open, er wordt uitgestapt en even later is het huis vol geluid en beweging. De kinderen beginnen tegelijk door elkaar heen te praten. Ze kijkt over hun hoofden naar Peter, haar man. Hun ogen vinden elkaar. Dan dwalen haar ogen verder. Richten zich op Ida, haar middelste. Op Ineke, haar oudste. En naar Peter, haar jongste. Hij is het toetje. Het onverwachte, ongewenste cadeau dat zo anders uitpakte. Een waar Godsgeschenk. Stel dat… nee daar gaat ze niet aandenken. In plaats daarvan geeft ze hem een aai over de bol wanneer hij langs haar loopt. Ze zegt: ‘Kom aan tafel allemaal, het eten is klaar’.

Spoorzoekertje

1990 ‘Ik heb het geruimd hoor’. Het is het eerste dat mijn moeder tegen me zegt wanneer ik de huiskamer van de aanleunwoning binnenkom. Het appartement waar mijn moeder woont sinds het overlijden van mijn vader twee jaar geleden. Ik kijk om mij heen maar zie niets bijzonders. De tweezitsbank met het gekleurde verenmotief, de kersenhouten ronde tafel vol met boeken, het tinnen theeservies. Mijn ogen blijven haken bij de buikvormige suikerpot. ‘Wat heb je geruimd?’ ‘O, het graf van het kindje.’ ‘O’ papegaai ik terwijl een raar gevoel in mij omhoog kronkelt. Dan is het weg. Het kindje is mijn broertje. Overleden een dag na zijn geboorte. ‘Het was beter zo ‘ zei mijn moeder de zeldzame keren wanneer zij over hem sprak. ‘Hij zou anders maar zwaar gehandicapt zijn. Of: ‘het was al zo druk met jullie beiden.’ Ik heb het lang als zoete koek geslikt. We hebben het graf nooit bezocht. Geen idee waar hij is begraven. Mijn vader sprak nooit over hem. Ik heb er nooit naar gevraagd. ‘Hoezo geruimd?’ vraag ik. ‘De huur van het graf wordt niet verlengd. Anders moeten er later kosten worden betaalden dan is het jullie maar tot last.‘ Het woord ‘last’ blijft bij mij hangen. Even maar. Daarna drinken we een kop koffie.

2019 Het is één uur. Ik sta onder de Martinitoren en wacht op Ida. Daar komt ze aanfietsen. Haar lange donkere haren dansen om haar schouders. Ze stapt af. We kijken elkaar aan. Onwennig. Het is een verwarrend moment. We gaan naar ons broertje. Ons broertje dat zestig jaar geleden is begraven. We hebben naar dit moment toegeleefd. Maar nu zien we er tegen op. Zullen we maar?’ vraagt Ida. We fietsen weg. In mijn rechterhand houd ik een bos witte rozen.

Dan zijn we er. Bij Selwerderhof. Het is winderig met mooie witte wolken en felle blauwe lucht. We zetten onze fiets tegen het hek en lopen de begraafplaats op. Samen turen we op de plattegrond in onze hand: vak vier, veld drie, drieënveertig. De plek is lastig te vinden omdat de steen is verwijderd, geruimd, zoals mijn moeder zei. Maar het graf met hem is er nog wel. Op een klein grasveld staan we stil. Dit is de plek. Hier ligt ons broertje. Het kleine veld is rechthoekig met hier en daar een grafsteen. Er staan hoge bomen. Mijn zuster houdt een kleine toespraak. Haar stem vol rust, kalmte en liefde. Ik zak door mijn knieën. Woel met vingers door het gras, totdat koele grond mijn hand rustig maakt.

De verliezende winnaar

5 november 1959

‘Peter? ‘Ja?’ Zijn stem klinkt alsof er stukjes grint in zijn mond zitten. Hij kijkt naar het papier voor zich waar allerlei cijfer staan. Keurige rijtjes onder elkaar. Als boekhouder houdt hij van cijfers. Hun rondingen, strepen, verbuigingen maar bovenal omdat ze hem rustig maken. Hun koele helderheid, hun eindeloze mogelijkheden bieden hem een horizon. Om naar toe te gaan, om achter te verdwijnen. ‘Peter, wil je hier even naar kijken? Zijn baas staat voor zijn bureau. Wanneer hij niet direct antwoord vervolgt hij: ‘Het moet vandaag wel de deur uit. Bedankt hè?’ Zijn woorden slingeren achter hem aan terwijl hij de kantoorkamer verlaat. Hij zucht en strijkt met zijn hand door zijn zwart golvend haar. Zijn heimelijke trots. Dan staat collega Franssens opeens naast hem. Met de voetbaltoto in zijn hand. Vanavond speelt het Nederlandse elftal tegen Noorwegen. Hij ziet allerlei vergelijkbare uitslagen: éen-éen, twee-éen, éen-twee enz. Hij pakt zijn pen en schrijft resoluut zeven-éen. Negeert de verbaasde blik van zijn collega. Een uur later verlaat hij het kantoor. Buiten blijft hij even met de fiets aan de hand stil staan.

Een kwartier later is hij thuis. Bij zijn twee kleine dochters en Jannie zijn vrouw. Jantje zoals hij haar soms liefkozend noemt. Het komt hem voor alsof zijn vrouw hem verwijtend aankijkt. Daar heeft ze ook wel reden toe. Zij draagt de last van een zware zwangere buik. De last van het groeiend kind in haar. Dat ze niet wenst, zo kort na de vorige. Hij overigens ook niet. Hij twijfelt sowieso over zijn rol als vader. Heeft angst dat hij het niet aankan. Niet waar kan maken. Wat is een goede vader? Hij heeft geen idee. Bovendien heeft hij genoeg aan zich zelf. Meer dan genoeg. Hij zucht, zijn schouders zakken. Vanuit zijn fauteuil kijkt hij naar zijn vrouw. Haar grijsblauwe ogen kijken langs hem heen.

Later die avond. Het eten is gedaan. De kinderen zijn naar bed. Het is stil op straat. Af en toe fietst er iemand voorbij. Geen voetgangers. Hij leest de krant, zijn krant ‘Het Vrije Volk’. Op de ronde kersenhouten tafel ligt een schrift met een vulpen op een opengeslagen bladzijde. Zojuist heeft hij de uitgaven van de afgelopen week opgeschreven. Het viel niet tegen. Vroeger zou hij met Jantje naar de bioscoop zijn gegaan. Hij ziet hoe ze stevig gearmd na afloop de bioscoop uitlopen en bij thuiskomst een oude krant op de eettafel uitspreiden. Hij hoort het pellen van de doppinda’s. De geur die langzaam omhoog stijgt. Pinda’s die langzaam in zijn mond heen en weer bewegen. De smaak. De kussen die zij beiden elkaar over de tafel heen geven.

Hij schrikt op van gekerm aan de andere kant van de huiskamer. Hij ziet zijn vrouw in elkaar gedoken zitten, haar handen klampen zich vast aan de tafelrand. Loopt op haar af. Slaat zijn armen om haar heen. Dat helpt niet. Ze vergaat van de pijn. Later komt er bloed, veel bloed. Even is hij in paniek. Dan rent hij naar de overkant van de straat waar een buurvrouw telefoon heeft. Een ambulance. Het ziekenhuis. De operatie. Macabere dans van leven met dood. Zijn vrouw overleeft, zijn zoon niet.

7 november 1959 Het is koud. De zon schuilt achter een half bewolkte hemel. De gevoelstemperatuur is onder nul. Hij trekt met één hand de kraag van zijn grijze winterjas omhoog. Zijn andere hand draagt het kistje. Het kleine rechthoekige kistje waar Peter in ligt. Zijn zoon, naar hem vernoemd. Het geluid van zijn voortstappende voeten doorbreekt de stille novembermorgen. Uit zijn mond komen kleine wolkjes damp. Dan heeft hij de plek bereikt. Naast het vers gegraven graf liggen kleine hoopjes zand. Hij voelt iets bitters in zijn mond. Het blijft steken in zijn keel. Net als woorden die hij niet kan zeggen. Hij knielt neer op zijn knieën. Zijn handen omklemmen het kistje. Zijn lippen proeven het ruwe hout. Proeven donkerheid. Hij legt zijn zoon in het graf.

9 november 1959 Op kantoor is het een komen en gaan van collega’s. In een langzame stoet schuiven ze langs zijn bureau. Hij hoort ze zeggen: ‘ we vinden het heel erg.. gelukkig heb je nog twee dochters.. hoe gaat het nu met je vrouw?’ Hij knikt, bedankt, schudt handen. Verdiept zich vervolgens weer in zijn werk met cijfers. Hij ervaart ze als ware vrienden. Zij blijven onveranderd hetzelfde. Voor altijd. Zijn houvast. Zijn troost. Er staat weer iemand voor zijn bureau. Zijn collega Franssens. Hij houdt een blikken trommel vast. Draait wat heen en weer, schraapt zijn keel en zegt: ‘Voor jou Peter. Je bent de winnaar van de voetbaltoto.’