Lieve Lezers,

De komende twee maanden heb ik zomervakantie. Eigenlijk ben ik vooral thuis en geniet van onze tuin, wandelen, fietsen en natuurlijk lezen. In september maken André en ik een rondreis in Schotland. Ik wil vandaag het eerste half jaar afsluiten met een gedicht dat weergeeft hoe lastig ik het soms of vaker vind, om een een goed idee voor een verhaal te bedenken.

Na de ‘vakantie’ ga ik verder met schrijven en publiceren van verhalen en af en toe een gedicht. Ook ga aan de slag met een langer verhaal waarin ik af en toe ook graag hoor wat jullie ervan vinden.

Voor nu wens ik iedereen een fijne zonnige zomer toe.

zonnige groet, Ineke

WOORDENSPEL

Elke klinker heeft haar eigen klank

Letters met lussen en strepen

Buitelend of keurig op rij geregen

Het papier is nog maagdelijk blank

                                        Taal op vleugels van gevoel

                                        Van alle kanten aangevlogen

                                        Toch weet ik mij bedrogen

                                        Er is geen pad, noch een doel

                                                       Veelheid van woorden in vrijheid gevangen

                                                       Doen mij naar een keurslijf verlangen

                                                       De bakens zijn gezet

                                                                                        Geen weids horizongedicht

                                                                                        Maar een sonnetgezicht

                                                                                        Stijlvol woordenballet

ROOD

Rood

‘J a c q u e s’

Zachtjes spreek ik zijn naam uit. En nog eens en nog eens. De woorden worden meegenomen door de wind die de dennenbomen zachtjes doet ruisen. Ik zit in een duinpan met opgetrokken knieën. De lichtbruine corduroybroek knelt een beetje. Tussen het einde van de nauwe pijpen en mijn boots zit nog een stuk been. Bah, dat ziet er stom uit. Ik doe verwoede pogingen mijn broek verder naar beneden te trekken, maar het helpt niets. Met mijn hand strijk ik over de haartjes van mijn linker arm en verbeeld mij dat ik Jacques over zijn gezicht aai. Hij draait zijn hoofd om en kijk mij glimlachend aan. Zo zwijmel ik een tijdje, alsof ik op de golven van de zee drijf. Dan merk ik dat het koud is. Sta op en zie dat het etenstijd is. Bij het tenthuisje ruik ik etensgeuren. Mijn moeder heeft de tafel gedekt en mijn vader en zusje zitten al klaar. lk hoor niets van wat ze zeggen, zou niet weten waar de happen die ik braaf doorslik naar smaken.

Iets na achten ga ik naar het recreatiegebouw van de camping. Camping Duinoord op Ameland. Mijn vrienden en vriendinnen zitten er al, maar ik kijk alleen naar hem. Hij ziet mij ook, haalt zijn hand uit zijn haar en steekt hem ter begroeting omhoog naar mij. Naar mij.

Ik word steeds warmer. Wend mijn gezicht af en doe alsof ik naar een poster op de wand kijk. Slenter met mijn rode door mama gebreide slobbertrui op hem af.

Ga schuin tegen over hem zitten. Hoor de stemmen, het vele praten en denk:

‘Doe ik het? Of niet? Of wel?

 Ik sta op. Loop naar hem toe, mijn knieën voelen als een natte spons.

‘Hé Jacques.’ Ik pak zijn linkerhand en draai deze met de handpalm naar boven. Langzaam volgt mijn wijsvinger de nerven in zijn hand en terwijl mijn hoofd lijkt te exploderen zeg ik:

 ‘Hier loopt de Rijn, daar loopt de Lek, klap op je bek.’

Geef hem tegelijkertijd een klap in zijn gezicht. Beng! Harder dan ik van plan was.

Hij slaat terug. Keihard. Het duizelt mij. Er loopt iets warms uit mijn neus. Ik proef bloed. Met mijn lippen lik ik het naar binnen. Even staat de wereld stil. Mijn voeten vastgeklonken op de grond.

Dan ruk ik mij los en ren weg. Weg van Jacques. Weg van mijn vrienden. Weg uit deze ruimte. Als vanzelf ren ik naar het strand. Zeegolven bulderen mij tegemoet. Met mijn hand veeg ik bloed van mijn gezicht. En van mijn trui, mijn mouw.

Ik weet niet hoe lang ik daar ben. Liggend tegen een duin. Alles voelt smerig aan mij. Alles lijkt kapot aan mij. Mijn tong proeft zand, bloed, tranen. Smurrie.

Blijf liggen. Tot het stil wordt. Stil in mij. Voel de wind in mijn gezicht. De zee geurt.

Verloren verlangen.

Verjaardag

Het was gisteren. Zondagmorgen, ongeveer half twaalf. Vandaag ben ik jarig. Mijn beide dochters Mirjam en Jiska, hun vrienden Erik en Michael en onze twee kleinkinderen Milan en Lena druppelen binnen. Er zijn zoenen, omhelzingen. Er wordt getaart en er zijn mooie cadeaus.

We kletsen en maken later een wandeling door het Boeremapark en Harense lanen. Op straat is het stil. Echt zondag. Als kind beklemde mij dat. De ongewone rust en zondagse kleren die niet vuil mochten worden. En Rinus, mijn bovenbuurjongen die drie hoog de hele dag voor het raam naar buiten zat te kijken. Stijf gereformeerd mocht hij die dag niet naar buiten behalve het kerkbezoek.

Na de lunch gaan we sjoelen. De houten sjoelschijven schuiven aanvankelijk langzaam vooruit. Alsof ze even moeten wennen aan het lawaai en vele licht na zo lang op de donkere zolder te zijn geweest. Maar dat duurt niet lang. De enthousiaste sjoelers meppen erop los.

‘Rammen’ wordt er regelmatig geroepen. Lena doet niet mee. Dat wil ze niet. Spelletjes zijn niet haar ding. Of misschien ook wel, maar Lena wil niet verliezen. Er wordt nog geprobeerd haar over te halen, maar tevergeefs. Wat Lena niet wil doet ze niet. Punt.

Onwillekeurig denk ik terug aan ‘Mam’. Mijn schoonmoeder woonde de laatste jaren van haar leven in verpleeghuis de Zonnehof. De ‘vasculaire dementie’ bracht haar hersenen steeds verder in de war. Ze voelde zich thuis in de dagelijkse structuur en gezelligheid van het Verpleeghuis. Wat opviel was haar passiviteit. Ze zat het liefst de hele dag op haar stoel en vond het heerlijk om s ‘avonds zo vroeg mogelijk naar bed te gaan.

Ik ging vaak en graag bij haar op bezoek. Zo ook een keer op vrijdagochtend. Terwijl ik de gezamenlijke huiskamer binnenloop hoor ik een verzorgende tegen haar zeggen:

‘Mevrouw Brands, komt u mee sjoelen?’.

Mijn schoonmoeder schudt ‘nee’ met haar hoofd.

‘ Ik ben moe, laat mij hier maar sudderen.’

Ik druk een kus op de altijd nog mooie lieve grijze krullen van haar hoofd en zeg:

‘Sjoelen, wat leuk mam! Ik ga met je mee.’

Ze schudt met haar hoofd. Driftiger nu.

‘Nee, ik ben moe.’

In overleg met de verzorgende besluiten we haar toch mee te nemen naar de recreatiezaal waar wordt gesjoeld.

Mijn schoonmoeder wil niet. En dat laat ze duidelijk merken. Ze rukt haar arm die ik had vastgepakt los. Kijkt mij met boze ogen aan en zegt keer op keer:

Waar bemoei jij je mee?’ en ‘Ik heb hier helemaal geen zin in.’ Het is grappig om haar zo te keer zien te gaan. In haar ‘vroegere’ leven  harmonieerde zij met ons allemaal en laveerde moeiteloos tussen lastige situaties.

Dat is nu wel anders. Haar dementie schudt beschermende laagjes af en haar boosheid is puur en ongeremd.

Wat later staat ze toch achter de sjoelbak. Naast de sjoelbak zitten een aantal vrouwen en een enkele man. Allen kijken haar vriendelijk aan. Zij pakt een sjoelsteen vast, kijkt en draait hem een paar keer om. Zucht. Begint met sjoelen. Aanvankelijk aarzelend maar al snel gaan haar handen rapper en rapper. Boosheid verdwijnt. Maakt plaats voor focus en concentratie. Haar wangen kleuren rood. Haar tong steekt een klein stukje uit haar geopende lippen. Ze  mept de één na de ander sjoelsteen door de poortgaten. Heeft een score van ruim tachtig punten. Alle toeschouwers kijken blij. Klappen in hun handen wanneer de laatste steen over de sjoelbak snelt. Zij lijkt onaangedaan. Maakt een veegbeweging met haar handen langs haar lichaam. Zegt:

‘Zo we zijn klaar. Laten we weer naar huis gaan.’ Ze accepteert mijn arm en wij schrijden naar boven.

Ondertussen gaat het sjoelen hier onverminderd door. Tot mijn verrassing heb ik de hoogste score Wanneer wij zijn uitgesjoeld staat Lena op. Ze loopt rustig naar de sjoelbak en schuift de stenen naar de openingspoorten aan het eind. Ze wil de score niet weten. Sjoelt nog een keer. Uit haar lippen steekt een klein stukje van haar roze tong.

BEVRIJDINGSDAG

Zij zitten als twee bijna oude dames op een stoel naast elkaar. Twee zusters. Zitten rechtop, de éen iets meer dan de ander. Kijken voor zich uit. Af en toe valt er een woord. Verder is het stil. Een rustige vredige stilte. Een tijdloos moment.

Het is een mooie dag.  Blauwe lucht, hier en daar een wolk waar achter regelmatig de zon te voorschijn komt. Er staat weinig wind. Af en toe ruisen blaadjes van bomen rondom hen. Uit het gras steken lila pinksterbloemen nieuwsgierig hun kopje omhoog. Vogels zingen hun lied. De twee zusters zijn de enige gasten van het Theepaviljoen van begraafplaats Selwerderhof.

Eerder waren ze bij het graf van hun broertje. Elk jaar op Bevrijdingsdag bezoeken ze het graf. Knielen op het gras. Leggen bloemen neer. Zeggen lieve woordjes. Zijn ontroerd. Soms glijdt er een traan vertraagd over een wang.

Lang was het kleine broertje een detail van hun leven. Hij werd als doodgeboren kindje naar de achtergrond van het leven verbannen. Doodgeboren. Doodgezwegen. Toch speelde hij al langer een rol in het leven van beide zusters:

‘laten we eens…

‘zullen we een keer…

‘weet jij waar hij is…’ 

Op een zekere dag was het zover. Met een plattegrond, witte rozen en een gedicht fietsten ze naar Selwerderhof. Na enig zoeken werd de plek gevonden. Een met Japanse Kers omgeven grasveld. Geen zichtbaar graf, geen steen. Maar wel de gemarkeerde plek op de plattegrond.

De twee zusters zijn de enige gasten van het theepaviljoen. Ze zitten buiten op het terras. Op het tafeltje voor hen staat een kop thee met een plak cake. Zacht klinken hun stemmen. Af en toe passeert een voorbijganger. Dan is het tijd om weer te gaan. Een korte omhelzing, een laatste groet. Ze pakken hun fiets en verlaten de begraafplaats.

LENTE

De wind fluistert in mijn oor. Iets verrukkelijks. In het gras bewegen kleine gele knopjes van speenkruid zachtjes heen en weer. Voor mij slingert een groen hart van klimop zich om twee bomen. Mijn beide voeten staan stevig naast elkaar op de grond. Boven mij reikt blauwe lucht. Eindeloos blauw. Ik strek mijn beide armen omhoog. En dan ben ik weg. Reis op vleugels van verlangen door de tijd.

Ik loop het pad op van de kloostertuin. Langs perken met verschillende kruiden.

Ambrosia. Marjolein. Rozemarijn. Vrouwenmantel. Ik kniel neer. Mijn vingers woelen als wormen door de grond. Een zware kruidige geur van aarde stijgt langzaam omhoog. Ik vul de mand naast mij met kruiden. Met bloemen. Violen. Trek mijn afzakkende zwarte sluier vaster om het hoofd. Met toegeknepen ogen kijk ik omhoog naar de zonnige hemel. Een zachte wind streelt mijn gezicht. Totdat de kerkklok mij roept voor het getijdengebed.

Mijn ogen knipperen en voorzichtig kijk ik om heen. Nog wat dazig neem ik de omgeving in mij op. Het gras met de gele bloemen, de hoge bomen. Ik zie het groene hart. Ik zie de ruïne. Het restant van oorspronkelijke rode bakstenen muur is lichter gekleurd met tinten grijs en geel. Ik adem in. Adem uit. Wandel verder.

‘Ook als ik oud of ziek ben, of verarmd

Dit neem ik mee: waanzinnig avondrood

Een grenzeloze innerlijke kracht

En de verrukking van het lieve lezen’

Fragment uit brief Russische dichteres Achmatova

De vrouw hoort het kloppen op haar deur. Ze telt drie keer. Het zijn bescheiden klopjes. Een vrouw of een kind. Geen soldaat. Ze besluit de deur te openen. Met een stok in haar linkerhand en haar andere hand zoekend naar houvast aan de keukenwand, beweegt ze zich langzaam naar de deur. Ondertussen wordt er weer geklopt. Harder dit keer.

Ze opent de deur en steekt haar hoofd naar buiten. Een pluk haar valt voor haar ogen. Het kriebelt. Ze tuurt met haar bewaasde ogen en onderscheidt twee vrouwen. Een jongere en een wat oudere vrouw schat ze. De jongere vrouw draagt iets. Een tas misschien. Ze hoort zichzelf praten als een krassende kraai. Het is lang geleden dat woorden haar mond uit wandelden. Haar ontwende stem moet nog worden opgestart.

Ze vraagt:

‘Goedemorgen. Wat brengt jullie hier?’

‘Goedemorgen, wij brengen U een voedselpakket’ zegt de jongere vrouw. Het ligt haast op haar lippen om te zeggen dat het niet hoeft. Dat ze nauwelijks nog eet, soms een paar kleine muizenhapjes. Maar het lijkt haar niet aardig om dat te zeggen dus ze probeert haar stem dankbaar te laten klinken:

‘Dat is aardig van jullie’. De oudere vrouw doet een stap naar voren en vraagt:

‘ Zou ik U iets mogen vragen?’ Ik ben journalist. Het voorwerp in haar hand blijkt een microfoon te zijn.

De jongere vrouw neemt weer het woord: ‘wij komen kijken of U iets nodig heeft. Of wij U ergens mee kunnen helpen?’

Ze kijkt naar beide vrouwen, hun gespannen gezichten. Voelt medelijden met hen. Zij die midden in deze oorlogshel op pad gaan om mensen zoals zij te helpen. Ze voelt hoe zwaar het hen allemaal valt.

Ze zou willen zeggen: met mij gaat het goed, of beter gezegd zo goed als mogelijk is. Ik ben oud, al bijna vierennegentig jaar. Ik heb mooie dingen mee gemaakt. Ik heb vooral vele verschrikkingen doorstaan. Drie echtgenoten heb ik overleefd. Eén werd door communistische Russen gefusilleerd. Van de tweede ben ik gescheiden en de derde is overleden in een strafkamp in het hoge noorden.

Maar ook: ik heb gereisd. Ik heb Parijs gezien. Rome. Oxford. Mijn zoon heeft het strafkamp wèl overleefd. Tot voor veertien dagen was hij hier nog. Hij is naar de stad Lviv vertrokken. Goddank! En ik heb de liefde gekend. Ach de liefde…

Alle woorden die ik heb geschreven. Alle woorden die ik heb gelezen. Boeken. Mijn wereld, mijn alles. Dat zou ze willen zeggen. Ze zegt:

‘Dank jullie wel. Voor jullie aandacht, jullie moed om door de straten in Kiev te lopen. Bedankt voor de levensmiddelen. Met mij gaat het redelijk. Ik rust veel. Mijn buurjongen beneden heeft gisteren mijn bed en mijn boeken nog naar de andere kant van de kamer gesleept. Weg bij het raam. Dat is veiliger zegt hij. Ik red me wel.’

De jonge vrouw vraagt of zij haar mee kan nemen naar een veiliger plek.

‘U woont in de frontlinie’ zegt ze. Hier in Kiev is het levensgevaarlijk. En al helemaal op de zesde etage van dit appartementengebouw.‘

‘Nee, ik ga niet mee. Ik weet het zeker.

Ik wil sterven in mijn eigen bed. Dit is mijn laatste plek.’

De beide vrouwen voor haar deur praten op haar in. Ze hoort hun stemmen. Stemmen gevuld met overreding en brokjes wanhoop. Het is vergeefse moeite. Hoe zou ze haar geliefde Kiev kunnen verlaten, haar geliefde land?

Ze sluit de deur zachtjes wanneer beide vrouwenweggaan. Ze koestert zich in de warme aanraking van hun handen.

Langzaam loopt ze terug de huiskamer in. Staat stil. Haar ogen dwalen langs zachtgroene wanden, schilderijen, familieportretten. Langs lichtgele deuren, de donkerhouten vloer en het versleten kleed met ruitmotieven. Tot haar blik stilhoudt bij het bed. Haar bed met rondom een muur van boeken. Aan de rand een kleine opening waardoor ze naar binnen kan. Ze gaat liggen op haar bed.

Dit is haar wereld, haar eigen kleine geschapen wereld. Ze heeft alles wat zij wenst. Boeken, water, een leesbril en het matras dat haar lichaam welkom heet.

De blauwe tas

Ik kijk uit het raam en zie haar voorbij lopen. Dagelijks zie ik haar, meestal vergezeld door haar man. Altijd loopt zij voorop. De man, kleiner met gebogen hoofd, loopt een halve meter achter haar. Het lijkt alsof hij moeite heeft haar bij te benen. Beiden dragen donkere kleding. Hij een lange zwarte regenjas die goed past bij zijn glimmend zwarte kapsel. Zij is gekleed in het donkerblauw en draagtd een lange broek. Op haar linker schouder zie ik de blauwe een canvassen tas die over haar schouder hangt. Donkerblauw natuurlijk.

Het komt mij voor alsof zij de hele dag aan het lopen zijn. Ik merk zoiets op omdat ik zelf ook vaak en graag wandel. Zoals ik met de hond loop, zo lopen zij met elkaar. Wanneer ze mijn huis net voorbij zijn, steken ze schuin de straat over en gaan verder richting het dorp.

Iedere dag. Elke morgen. Elke avond. Overdag zie ik de vrouw alleen ook nog een keer of twee. Het komt regelmatig voor dat onze wegen elkaar kruisen. Nu ben ik niet iemand die altijd iedereen groet. Daar houd ik nu eenmaal niet zo van. Maar de vrouw, die ik dagelijks zie, haar wil ik haar juist wèl groeten. Zij intrigeert mij met haar vele geloop, de vaste routes en misschien nog wel het meest, dat zij voorop loopt en de man met gebogen hoofd er achter aan. Maar wij groeten elkaar niet. Zij wil het niet. Ze wendt haar hoofd af op het moment dat wij op gelijke hoogte elkaar passeren. Een keer maakte zij met haar hoofd een klein knikje richting mij. De keer daarna was het alweer voorbij. Ik zou haar gezicht niet eens goed kunnen beschrijven. Onopvallend. Ze draagt een bril. Ik weet waar zij woont en altijd wanneer ik haar huis passeer, loop ik extra langzaam of sta zelfs even stil om bij haar huis naar binnen te kijken. Maar ik zie nauwelijks iets. Vele dichte en hoge struiken, en door de stoffige ramen een schilderij waar ik weinig anders van kan zien dan wat grijzige en lichtblauwe tinten. Een vriendin wist laatst te vertellen dat zij in de pizzeria van ons dorp in lachen was uitgebarsten. Ik kan mij daar niets bij voorstellen.

Maar gisteren gebeurde er iets merkwaardigs. Ik deed mijn dagelijkse boodschappen bij Albert Heijn en sloot aan in een rij bij de kassa. Rondkijkend zag ik twee rijen verder de vrouw staan. Nieuwsgierig als ik ben verwisselde ik mijn rij voor de hare. Nieuwsgierig bijvoorbeeld om haar stem te horen. Ze had geen kar of boodschappenmandje. Wel de canvassen tas, haar trouwe metgezel. Toen zij aan de beurt was, opende ze haar tas. Zes flessen rode wijn kwamen tevoorschijn. Ze zette ze op de lopende band. Kort daarna vertrok ze de met gevulde tas die gewoontegetrouw over haar linker schouder hing.

Ik was helemaal opgewonden. Het kwartje was gevallen. De puzzelstukjes pasten naadloos in elkaar. Het vele lopen. De afgewende blik, de onopvallende kleding, het door groene bosschages en stof ‘verstopte’ huis en de tas natuurlijk. De dagelijkse gang van de tas met wijnflessen van de winkel naar haar huis. Deze vrouw is alcoholist. Het kan niet anders, toch?

POETKA

Wat vooraf ging. Leningrad 1960

De jongen joeg de rat op. Terwijl de geur van zweet en lang gekookte kool in het tochtige trappenhuis zijn neus prikkelde dreef hij het beest in een hoek. Een flauwe glimlach speelde om zijn lippen. Maar dat duurde maar even want de in het nauw gedreven rat viel hem aan. Sprong omhoog en beet hem in zijn kuit.

De jonge Vladimir groeit op in Leningrad, de stad die later wordt omgedoopt tot Sint-Petersburg. Hij woont in zijn jeugdjaren samen met zijn ouders in een oude vervallen woonkazerne met een gezamenlijke keuken en toilet voor alle bewoners. Zij leven in een ruimte ter grootte van een studentenkamer met muren van karton waar geluiden van een slaande ruzie of ander lawaai doorklinkt.

Hij ontwikkelt zich als een straatvechter in de meedogenloze wereld van de sloppenwijken in Leningrad waarin alleen het recht van de sterkste telt. Op school is hij een onopvallende leerling. Hij heeft de gewoonte vooral te luisteren naar anderen. Hij observeert, neemt waar. Zo houdt hij ervan stiekem in de schriften van zijn medeleerlingen te kijken. Hij is een middelmatige ongemotiveerde leerling. Toch valt hij op bij zijn juf Vera. Zijn goede taalgevoel en fenomenale geheugen maken dat zij zich wil inzetten voor hem. Ze wil hem uit het straatleven halen en neemt hem mee voor een zomervakantie naar een dorp in het zuiden van Oekraïne.

 Het verhaal gaat

Juf Vera huurt een kamer bij een gezin uit een Zuid-Oekraïens dorp. Het gezin waar zij beiden verblijven heeft een poes die bevallen is van vijf jongen. De vrouw des huizes wil de kleine poesjes kwijt. Ze pakt hen, stopt ze in een zak en dumpt ze in een afvalcontainer. Haar dochter ziet dit en vraagt Vladimir haar te helpen om de diertjes te redden. Het lukte hem om er drie te bevrijden. Enkele dagen later koopt hij een worst om zijn juf te verrassen. Wanneer de vrouw des huizes de worst ziet vraagt zij of ze een plakje mag.                                                    Hij antwoord: ‘nee, ik geef niets aan een heks.’ De inmiddels hoog bejaarde Oekraïense vrouw zit nu al meer dan vijftien jaar in een gevangenis aan de grens met Kazachstan.

Terug in Leningrad neemt hij afscheid van het straatleven en begint met sporten. Op zijn achttiende is hij judokampioen van Leningrad. Judo is voor hem meer dan een sport alleen, hij put er mentale kracht uit. Het meebewegen met de ander, het doordrukken en alleen bij sterke tegenstand een terugtrekkende beweging maken. Het wordt zijn beproefde handelsmerk in zijn verdere leven. Hij weet wanneer hij wel of juist niet een tegenstander uit kan dagen.

De val van de Berlijnse muur wordt in meerdere opzichten een sleutelmoment in zijn leven. Hij is vlak bij de muur met een aantal KGB-collega’s. Zij bevinden zich in een netelige situatie, zeker ook vanwege de grote opgewonden mensenmassa die de straten doet kolken. Hij vraagt Moskou om advies en hulp. Er komt geen antwoord. Hij voelt zich machteloos. Gruwelt van de opgewonden mensenmassa. Hij beseft dat een volksmassa hoe dan ook altijd in bedwang moet worden gehouden.

Op dat moment denkt hij dat zijn loopbaan als spion voorbij is. Speelt met het idee om taxichauffeur te worden. Maar het lukt hem toch om zijn carrière als spion voort te zetten. Het is een kwestie van op de goede plaats zijn op het juiste moment plus een portie geluk. Zo’n moment doet zich voor wanneer hij werkt voor de burgemeester van Petersburg. Deze burgemeester is onzeker en laat veel aan hem over. Hij vecht zich zelf een weg omhoog. In recordtijd. Binnen tien jaar is hij president.

Hij omringt zich met een klein kringetje trouwe vrienden uit zijn studententijd en de periode bij de KGB. Hij eist onvoorwaardelijke loyaliteit aan hem. Hij beloont ze met lucratieve posten in bijvoorbeeld de energie en grondstofconglomeraten. Aanvankelijk staat hij nog enigszins welwillend tegenover het westen van Europa. Maar dat verandert snel wanneer de NAVO steeds verder richting Rusland opschuift. Zijn Rusland.

Zijn wereldbeeld bestaat uit herstel van het groot Russisch wereldrijk van weleer met Kiev als centrum, de geboorteplaats van het Russische tsarenrijk. Het is zijn taak om de Slavische volkeren van Rusland en Oekraïne samen te brengen. Te verenigen. Hij gelooft dat meer en meer. Ziet het als zijn roeping waarin lijden, opoffering nodig is om dat hogere doel te bereiken. In dat wereldbeeld zijn slachtoffers gerechtvaardigd. Hij moet niets hebben van moderne opvattingen over internationaal recht en democratie. Hij gelooft niet in de onafhankelijke kracht van mensen. Geen democratie voor hem. Hij kent het volk. Hij begrijpt hun gedachten en hun wil beter dan zijzelf. Mensen die niet mee werken aan zijn ideaalbeeld zijn voor hem verraders. Het zijn geen ‘ware’ Russen maar volksverraders of neonazi’s zoals hij hen noemt.

Wanneer hij merkt dat Oekraïne meer en meer naar het Westen afdrijft grijpt hij in. Hij kan niet anders. Hij moet wel.

Een aantal weken later:

De man voelt de jongen binnen hem, ver weggestopt maar nog altijd aanwezig. Soms droomt hij over hem. Op een nacht is het weer zover. Hij droomt zichzelf terug als jongen. Hij is weer terug in de woonkazerne. Hij jaagt de rat in de hoek van het trappenhuis. Hij prikt met een stok in de rug van het dier en drijft hem in een hoek. Groots en machtig torent hij boven de kleine gelige rat uit. Totdat de rat lijkt te groeien. Groter en groter wordt. Hem met zijn blauwe ogen aankijkt. Hij schrikt. Deinst achteruit. De rat geselt hem met zijn felle staart. Struikelend en buitelend valt hij. Dieper en dieper. Tot hij beneden op de grond ligt. De jongen en de man vloeien samen, worden één. De jongen helpt hem overeind. Pakt hem bij de hand. Ze strompelen naar buiten.  

Lokroep

Met een nijdige klap slaat hij de motorkap dicht en stapt het busje weer in. Rotbus, alles gaat mis. Alles is mis. Emma die met de dag chagrijniger wordt. Haar luidruchtige zwijgzaamheid. De verwijtende blikken.

Hij heeft het helemaal gehad met haar.

In het spiegeltje boven het stuur werpt hij een blik op zichzelf. Hij ziet een oude kop, zijn kop. Kort grijzend haar, gebruind gezicht waarin de rimpels extra goed uitkomen, grijze ogen met iets groenachtig, zijn mond met stijf op elkaar geklemde lippen.

Hij voelt zich vreemd. Alsof hij ver van alles en iedereen af staat. Alsof hij toeschouwer is van zijn eigen schamele, afbrokkelend leven. En het is allemaal zijn eigen schuld. In Amerika liep alles op rolletjes. Huisje, boompje, beestje, niets aan de hand.

Maar hij miste iets, dwaas die hij is. Verlangen naar…. Iets anders, zijn verloren jeugd, Ierland het land waar hij opgroeide. Verloren geuren, wind die altijd waait, zee die meekleurt met de wolken boven haar. Grijs, groen, alle soorten blauw.

O ja, hij wist het zeker, hij moest en zou weer terug gaan naar Ierland.

Maar Ierland is niet meer het Ierland van zijn dromen en hij is niet meer de jongen van toen. Hij heeft te gemakkelijk gedacht dat hij het wel zou maken in Ierland. Als monteur zou hij zo aan de bak kunnen gaan, nee sterker nog met het spaargeld dat hij bezat zou hij een garage kunnen beginnen. Niets is ervan terecht gekomen. Helemaal niets. Geen baan als monteur en al helemaal geen eigen bedrijf. Hij is verworden tot een onbeduidend chauffeur die pakjes rondbrengt met zijn ‘prachtige’ bestelbus. Of soms passagiers naar de boot brengt.

Het geluid van de motor die eindelijk aan slaat brengt hem weer in de realiteit. Hij pakt de versnellingspook, zet hem in de een en begint te rijden. Rowan, zijn geliefde dochter. Hij gaat haar ophalen bij de boot. Rowan die bij Emma en hem gaat wonen. Rowan die kost wat kost in Amerika wilde blijven. Bij de moeder van Emma introk. Maar zijn schoonmoeder overleed plotseling en daarom komt ze nu naar Ierland. Zij ziet het totaal niet zitten en hij verwacht het nodige vuurwerk van zijn pubermeizzie.

Bij de kade aangekomen ziet hij haar staan. Zij ziet hem nog niet, zo dat hij tijd heeft haar in zich op te nemen. Alles aan haar oogt als verzet. De benen wijdbeens, de armen stijf over elkaar gevouwen en haar lange haar dat voor haar gezicht waait. Dichterbij gekomen ziet hij haar boze gezicht dat wonderwel afsteekt bij de mistige wolken. Een haast ondoordringbare massa met witte en grijze tinten.

Er begint zich iets in zijn lichaam los te zingen. Het wrikt, beukt zich een weg naar boven. Hij wordt overmand door een alles omvattende vreugde. Hij moet zomaar lachen. Rowan, zijn lieve geweldige Rowan. Hij voelt in elk zijn vezel. Hij weet het zeker.

Nu komt alles weer goed.

Z o  n d a g m i d d a g   

Goedemorgen lezers. Welkom op mijn site in dit nieuwe jaar. Ik wens jullie allemaal een gezond en liefdevol 2022 toe. Na een pauze komt nu weer een verhaal van mij. Het gekke is dat ik van plan was een fantasieverhaal te schrijven. Maar soms is de pen dwingender dan de schrijver zelf. Want voordat ik het wist schreef ik een autobiografisch verhaal…

O, ik haat zondagen. Zo sloom, saai en eindeloos. Ik sta voor het raam en kijk naar buiten. Alles is stil en grijs. Vandaag speel ik niet buiten. Mijn zondagse kleren mogen niet vies worden en mama wil het niet voor de buren. Die zijn heel christelijk en mogen niets op zondag. Ze gaan wel steeds naar de kerk.

Ik trek mijn afgezakte kniekous omhoog. Die heeft mama gebreid. Gebroken wit noemt zij ze. Het past goed bij mijn grijze rok met plooi van voor en achter. Mijn lichtblauwe trui en vest vind ik wel mooi. Twinset heet dat.

‘Twinset’ zeg ik zachtjes. En nog een keer

Mijn vader zit bij de ronde tafel in de voorkamer. Hij heeft een loupe in zijn hand waarmee hij de krant leest. Mijn moeder zegt dat hij te ijdel is voor een bril.

Het warmeten is op en ik loop naar Greetje. Zij woont drie straten verderop. Wij wonen in een kleine straat en aan het eind kom je op het Van Brakelplein. Daar is een mooie vijver met veel gras er om heen. Op het grasveld aan de overkant voetbal ik doordeweeks samen met de jongens van mijn klas. Ik ben het enige meisje. Dat komt omdat ik heel goed kan keepen.

Voorbij het plein loop ik naar Van der Doesstraat, Admiraal de Ruyterplein en dan ben ik op de Peizerweg. Ik loop de stenen trap op naar boven en bel aan.

Liesbeth, Greetjes kleine zusje, opent de deur. Ik stap naar binnen en het is net of ik mij gelijk lichter voel.

‘Hoi Ien’. Greetjes vader zit op de bank en steekt zijn hand naar mij op. Op de tafel voor hem staan een paar plastic ondoorzichtige rechthoekige bakken. Hij steekt zijn hand in de bakken, haalt er wat uit en draait er met zijn grote hand kleine balletjes van. Vieze smurrie.

‘Ik ga ze lekker verwennen’ zegt hij

‘Ik bedoel de vissen natuurlijk’. Hij kijkt mij lachend aan.

Greetjes moeder is aan het strijken. Er hangt een hele bult kleren over de rugleuning van een stoel. Iedereen noemt haar ‘Zus’ terwijl ze Puck heet. Eigenlijk wel gek, maar ik vind haar heel lief. Ze is altijd aardig tegen mij.

‘ Zullen we gaan?’ vraagt Greetje. Ze heeft haar jas al aangetrokken.

Buiten zie ik een trein voorbij rijden. Ik kijk hem na totdat hij de bocht omgaat en verdwijnt. Ik fantaseer dat ik in die trein zit. Op weg naar ..weet ik veel. Maar weg van hier. Ver weg.

‘Waar gaan we naar toe?’ vraag ik

‘Weet ik niet, naar jouw huis?’

Ik zucht.

‘Okay’

We lopen de hoek om en slenteren over de stoep. Af en toe staan we stil en kijken om ons heen. Het is stil buiten. Er lopen geen andere mensen. Ook geen kinderen.

Op het van Brakelplein fietst een man aan de overzijde. Bij ons in de straat kijkt staat Lucas voor het raam. Hij woont boven ons. Ik zwaai naar hem maar hij zwaait niet terug. Even later is hij weg. Lucas moet zondag de hele dag binnen zitten. Hij moet wel twee keer naar de kerk. Ik heb gehoord dat het geen pretje is. Je zingt ingewikkelde liedjes uit een zwart boek met dun vergeelde bladzijden.

Verschrikkelijk. Arme Lucas. Eigenlijk niet leuk dat ik hem wel eens pest. Ik weet dat het niet aardig is en het mag ook niet van mijn ouders. Ik neem me vaak voor om het niet meer te doen. Maar ik weet niet wat het is, als ik hem zie doe ik het steeds weer. Ook nu vind ik dat ik ermee moet stoppen.

Door de achtertuin lopen wij ons huis binnen. Door de keuken, de gang met de hele grote houten klok die altijd hard slaat komen wij de huiskamer in. Mijn moeder lacht Greetje tegemoet.

We gaan bij haar aan de grote tafel zitten. Voor mijn moeder staat een kop koffie. De damp vermengt zich met kringeltjes rook van haar sigaret. Caballero.

Mijn moeder maakt een kopje thee voor ons. Uit de trommel pakken we een

Bruine Beer Biscuit. Ik doop hem in de thee en eet hem langzaam op.

Daarna lopen we weer naar Greetjes huis. We spelen Ganzenbord met kleine Liesbeth. Van Greetjes moeder krijgen we een bakje paprikachips en een glas ranja.

En dan,  dan is het bijna half zes. De avond gaat bijna beginnen. Buiten is al een beetje donker. De lantaarnpalen branden. Ik huppel naar huis.