De gele bus

Bus, Geel, Black, Reizen, Vervoer, Coach

Morgen ga ik met vakantie naar Ameland. Als kind ging ik vroeger iedere zomer met mijn ouders en zusje naar Ameland. Dat waren fantastische vakanties.

‘Teveel, veel te veel. Ga maar terug naar boven’.

Papa staat naast de plunjezak. In zijn stem klinkt iets scherps. Zijn haar golft nog wel mooi om zijn hoofd, maar verder is hij boos. De plunjezak is al voor de helft vol. Nu moeten al onze kleren er nog in, dat kan nooit.                                                                                          

Langzaam sjok ik naar boven, zet mijn voeten hard neer op de traptreden. Ik ben ook boos. Ik heb zo weinig kleren en die mag ik niet eens meenemen. Onderweg bedenk ik een plannetje, ik trek over mijn blouse mijn groene sweater en daar overheen mijn dikke rode ribbeltrui, die mama heeft gebreid. Ze heeft voor Ida een blauwe en voor Papa een grijze gemaakt. Zelf heeft ze een zwart-witte trui. Die heeft ze bij Van Kalker gekocht aan de Paterswoldseweg.

Even later geef ik papa mijn kleine stapel kleren. Hij zegt niets. De plunjezak ruikt naar aardappelen, die al heel lang in de kist van de kelder liggen, ingedeukt met van die rare witte pielela sprieten. Maar hij ruikt ook heel lekker, naar tent en Ameland.

‘A-me-land’ zeg ik zachtjes, en nog een keer, steeds weer opnieuw. Wel twintig keer.

De volgende morgen ben ik vroeg wakker. Mama, Ida en ik kleden ons snel aan, eten een boterham met een grote beker thee, pakken onze spullen en gaan op weg. Ik pak de bruine koffer. Ida draagt samen met mama de groen blauw geruite weekendtas met dunne bruine hengsels. Hij kan niet helemaal dicht, zoveel zit er in. De bloemkool steekt er een klein stukje bovenuit.  Met de andere hand houdt ze haar lievelingspop vast.

De koffer wordt zwaarder en zwaarder, maar gelukkig ben ik heel sterk.

Bij het station zie ik de gele bus al staan. Hij wacht op ons. Gado staat er op met grote zwarte letters. Ik vind de bus prachtig, zo verschrikkelijk mooi geel. Zo geel als de duinen met het groene helmgras dat zo gemeen tussen je blote tenen prikt. En het gele zuurzand van het strand dat langzaam door je vingers glijdt,  zandkastelen met rondom grachten die plotseling vol water staan en dan verdwijnen. Misschien nog wel het allermooiste, liggen op je handdoek en met je hand het op je buik gewaaide zand wegvegen.

De bus is vol met mensen, kinderen, koffers en lawaai. Ik zit lekker bij het raam en kijk naar buiten. Ik ben er klaar voor, de lange reis naar Ameland. Mijn armen trillen, dat komt omdat ik m’n handen heel hard in elkaar knijp. Dan begint de bus te rijden.

We rijden Groningen uit, ik zwaai naar fietsers en auto’s. Een auto claxonneert, ik schrik ervan. We rijden langs weilanden, sloten, bomen, fietspaden, koeien, paarden, schapen, vogels en dorpen. We stoppen soms in een dorp, Zuidhorn, Grijpskerk. Ik kijk en kijk en kijk, maar later niet zo meer. Voel me een beetje soezerig.

Ik ben een zandkorrel, rond en stevig. Ik ben droog, nat. Ik ben warm, koud. De wind waait en tilt me op en legt me ergens anders neer. Dat geeft niet, op het strand is het overal mooi.

Ineens zijn we in Holwerd, de bus staat stil. Passagiers lopen achter elkaar de bus uit. Ik houd de hand van Ida vast. En laat hem weer los.

Ik begin te rennen. Daar staat papa. Naast hem de Solex en de plunjezak. Hij houdt hem met één hand vast. Hij lacht.

BEVRIJDINGSDAG

Kersenbloesem, Sier Cherry

Bevrijdingsdag

Precies twee jaar geleden waren wij hier. Bij het graf van mijn broertje. Op vijf mei, Bevrijdingsdag. Ons broertje zestig jaar geleden overleden. Niet eerder werd hij bezocht.

Geen vader, moeder, geen zusjes.

Hooguit een toevallige voorbijganger die zijn ogen vluchtig over het graf heeft laten glijden. Misschien zelfs even stil is blijven staan om daarna zijn weg te vervolgen.

Twee jaar gelden hebben Ida en ik voor het eerst zijn graf bezocht. Bloemen neergelegd. Een toespraak en gedicht opgelezen. Toen een verdwaalde traan mijn wang beroerde.

Nu staan wij er weer. Op Bevrijdingsdag. Met bloemen, wit en roze. Ida spreekt mooie woorden. Haar stem klinkt zacht als de wind door de ruisende roze bloemenblaadjes van de Japanse kers. Uit haar mond klinken woorden als een mooie kalme melodie. Over onze ouders, over houden van en over niet vergeten.

De enige dissonant ben ik. Ik sta er bij en kijk er naar. Ik ben toeschouwer. Observeer, registreer. Voel niets. Buitengesloten van het graf, de mooie blauwe lucht met witte wolken, vogelgezang, stem van vlagerige wind, zacht en dan weer toenemend, warmgele zonnestralen, groene grassprietjes opgevrolijkt door blije paardenbloemen en margrietjes met hun witte blaadjeskrans.

Ida zegt:

‘Wij voelen ons schuldig dat wij vorig jaar niet zijn gekomen’ en gelijk er achter aan:

‘Maar daar kunnen wij niets aan doen want er was corona’.

Dat ontroert mij omdat het zo des Idaas is. Schuld bekennen en tegelijk zeggen dat je er niets aan kunt doen. Vroeger ergerde mij dat, nu vind ik het lief. Het heeft iets kinderlijks en dat is altijd mooi wanneer het kind in ons nog zichtbaar is.

Het is fijn om later over de begraafplaats te lopen, tussen de mooie bomen met uitbundig bloeiende Japanse Kers. De fontein met opspatten doorzichtig wit water. De thee en koffie die we later op het terras van het Theepaviljoen op de begraafplaats drinken.  Het koekje dat we in stukjes breken en aan de vogels geven. Onze woorden, herinneringen aan eerdere verre tijden.

Het is een tijdeloos moment. In gevoel van verbondenheid. Met ons broertje, met elkaar met mijzelf.

Reizen

Rugzak, Brown, Zak, Wandelen, Backpacken

Reizen

Ik reis graag

Niet dat ik weg ga

Thuis ben ik het liefst

            Alles beweegt in mij

            Toch ben ik op zoek naar rust

            Zelden sta ik stil

                                          Met mijn ogen open

                                          Kijk ik de wereld in

                                          Op mijn rug rust nog iets zwaars

                                                                 Ik ben alleen in het donker

                                                                 Samen met de nacht

                                                                 Reis ik het licht tegemoet

                                                                                        Verlangend

                                                                                        Loop ik het pad weer af

                                                                                        Thuis ben ik het liefst

Hallo mannen, ik ben Jenny een leuke meid van 26 jaar

Oude Man, Permanent, Senior, Volwassene, Oudere

Zijn oog valt op de contactadvertentie van Jenny. Blijft daar haken. Het lijkt alsof hij een oogje op haar heeft. Maar zij nog niet op hem. Dat kan natuurlijk ook niet want zij weet niet wie hij is. Nog niet. Hij voelt dat Jenny een mooie vrouw is. Hij kan het weten want hij heeft oog voor mooie vrouwen. Door de vrolijke aanstekende tekst van de advertentie gelooft hij in een klik tussen hen beide.

Maar goed, zij zijn nog niet samen. Alleen zijn vrouw al vormt een groot obstakel.

Rika, met wie hij eindeloos lang is getrouwd. Rika met haar eeuwige ruimvallende truien. Het oude vertrouwde gevoel wat hij bij haar heeft is niet voldoende. Het is tijd voor iets nieuws. Hij is per slot van rekening een krachtige man en nog niet zwak en oud. Gelukkig niet! Wel krijgt hij langzamer hand enkele kleine klachten, artrose in zijn rechter duim, pijn in zijn linker heup en nog wat kleine dingetjes.

Hij denkt na over hoe hij het  gaat aanpakken. Hij is een doener, maar moet dit toch goed overdenken. Allereerst de gezamenlijke bankrekening, hoe kan hij geld voor zich alleen ophalen. Rika kan dan wel niet zo goed meer zien maar ziet gelijk wanneer er geld van de rekening is gehaald. Maar waar een wil is loopt een weg. En zo geschiedt het.

Twee weken later, vroeger dan hij zelf had kunnen dromen staat hij voor de intercom van een hoge kleurloze flat. Hijzelf, kleurrijk met zijn roze das,  drukt op de zoemer. Weifelend. Maar even later klinkt zijn stem vastberaden:

‘Hallo, ik ben het Koos’

‘Kom maar binnen’.

We hebben toch ook af en toe vreselijk gelachen, Leontine

Jan Wijnia (janwijnia5) - Profiel | Pinterest

‘We hebben toch ook af en toe vreselijk gelachen, Leontine.’

Het komt haar voor, dat Diederik deze opmerking plaatst, om haar op te beuren. Zijn gezicht, naar haar neergebogen, de wenkbrauwen licht gefronst, bij zijn jukbenen een diepe groef ( kleine, hele kleine genoegdoening), de lippen van elkaar, Leontine kan het niet langer aanzien.

Ze buigt haar hoofd, voelt de schouders moedeloos naar beneden zakken, sluit haar benen en richt haar ogen op een denkbeeldig punt op de muur voor haar.

Hij praat verder zachtjes op haar in:

‘Je weet toch..’

‘Ik heb in het begin gelijk gezegd..’

‘Voor mij is het ook heel moeilijk..

O, hoe heeft ze zo stom kunnen zijn. Ze wendt haar hoofd af en kijk naar de wand rechts van hem. De muur is blauw, hemelblauw met kleine witte wolken en vele gele zonnen die haar allemaal stralend aankijken. Hoe misplaatst in dit verder strak ingerichte vertrek. De glazen tafel met de twee zwarte espressokopjes, de comfortabele bank met zachte kussens, de overige zwarte muren. En opeens ziet ze het, zij is een van de talrijke witte wolkjes in zijn fantastisch,  geweldig leven.

Haar doffe wanhoop maakt plaats voor langzaam omhoog kruipende felle rode woede, die bijna explodeert, wanneer ze zijn voeten gestoken in nonchalante, maar peperdure camel kleurige suède mocassins, op de grond ziet staan.

Ze pakt haar kopje koffie en gooit de inhoud schijnbaar onhandig, maar doelbewust over zijn rechter schoen. En terwijl hij verschrikt naar haar opkijkt, meent ze zelfs enige gekwetstheid te zien.

Ze staat op en zegt:

‘Kom, laten we gaan.’

Zeg het met bloemen

Boeket, Bos, Bloemen, Bloem, Blad

Haar oog valt op de man in de rij naast haar. Tussen de blauwwitte borden met aanbiedingen, de veelheid van viezig gekleurd, kleverig en plakkend snoepgoed staat hij daar met een bos bloemen in de hand. Zijn half lange blonde haar met een lichte slag erin valt ruim over de schouders. Hij draagt een zwarte spijkerbroek met een trui van een wat onbestemde zwartgrijze kleur. De onderarmen zijn bruin gekleurd met zwarte haren er op. Hij heeft slanke handen met lange vingers. Aan de linker pink draagt hij een zilverkleurige ring. Op zijn handen zit iets donkers, grond, alsof hij zojuist nog met zijn handen in de aarde woelde.

   Het komt haar voor dat hij daar helemaal alleen staat, alsof hij geen deel uit maakt van de stoet mensen voor en achter hem. Andere mensen kijken om zich heen, een beetje schuivend met of zonder mand of winkelwagen. De man staat onbeweeglijk. Omdat zij schuin voor hem staat, kan zij iets achteromkijkend, zijn ogen ontwaren. De lichtgroene ogen zijn schuin, links naar boven gericht. Het valt haar op dat er boven zijn neus een groefje zit in de vorm van een driehoek.

  Dan draait de man zijn hoofd opzij en kijkt de vrouw aan.

Hij was ver, ver weg met zijn gedachten. Ver hier vandaan, rijdend op zijn prachtige, stoere vrachtauto. Wonderlijk hoe heerlijk hij dat vindt, hij de muzikant die lawaai en zeker verkeerslawaai verfoeit, geniet, wanneer hij met zijn vrachtauto onderweg is. Alleen al de gedachte daaraan vervult hem kortstondig meteen geluksgevoel. Zijn hoofd zakt een beetje naar beneden, zijn adem wordt zacht en loom en het lijkt haast of zijn lichaam lichtjes heen en weer wiegt.

Dan verkrampt er iets, hij gaat terug naar huis, naar zijn moeder. Jaren geleden vertrok hij, ogenschijnlijk plotseling. Hij, de succesvolle, geslaagde zakenman. Hij had het helemaal gemaakt, behalve voor zich zelf. Doodongelukkig was hij geweest. Leeg. Opgebrand. Ver weg van zijn werkelijke verlangens en behoeften.

Bij de kassière rekent hij de bloemen af. Zij vraagt hem of hij een dagje-uit-zegel wil. Ontkennend schudt hij zijn hoofd. Iemand achter hem vraagt:

“O, mag ik dan uw zegel?” .

En dan breekt er iets bij hem. Het bloed suist met volle kracht door zijn lichaam, zijn keel toegeknepen. Hij weet het zeker hij kan het niet aan. De sfeer in de winkel, het dorp, zijn ouderlijk huis, hij past hier niet meer. Hij weet het zeker, hij moet onmiddellijk weg.

Hij loopt op de vrouw af, die hem eerder aankeek en geeft haar de bloemen.

oase

green-light-on-traffic-light-pole-with-good-sun-light-and-tree-on-picture-id1058106276 (509×339)

Ik sta bij het kruispunt van de Paterswoldseweg en Parcourslaan. Auto’s  rijden langzamer wanneer ze mij naderen. Soms stoppen ze en blijven stilstaan. Wachten voor het rode stoplicht. Naast de weg zijn fietsers en andere voertuigen. Tegenwoordig zie je veel van die groene brommers, met jongens of meisjes waarvan de lange haren wijduit wapperen. Daarnaast heb je weer voetgangers, wandelaars of boodschappers met een tas in de hand die soms uitpuilt met pakken melk of een bos oranjewinterpeen met groen loof. Allemaal passeren ze mij. Blijven staan en kijken om zich heen. Kijken naar de lucht boven zich. Kijken  op hun kleine schermpjes waar ze pietputterig met hun vingers over heen en weer snellen. En soms dwalen hun ogen naar mij. Blijven even rusten of dwalen verder.

Ik vind het fijn wanneer ze naar mij kijken. Probeer mijn arm op te heffen om naar ze te zwaaien. Het lukt niet zo goed. Ik ben nogal stram van lijf en leden. Het is goed wanneer ze mij zien. Niet alleen omdat ik dat zelf leuk vind. Maar ook omdat ik een mini -mini rustpauze ben in hun leven. In hun snelle-sneller-snellere leven. Leven dat voortraast. Doordendert. Rondtolt. Ik sta stil. Altijd. Ik ben puur natuur. Bruin met op gezette tijden wat groen.

Soms waait de wind zachtjes door en mijn ledematen. Soms zwiept en buldert hij.

Ik wil dat je weet dat ik klaar sta voor jou. Wanneer je maar wilt. Ik ben een oase in jouw bestaan. Heel kort, heel even. Je vindt mij op het kruispunt van de Paterswoldseweg en de Parcourslaan. Vlakbij waar het Stadspark begint.

Ik ben een boom. Binnenkort tooi ik mij in mooi lentegroen.

Snoetschoetje

Snoetschoetje

Daar liggen we dan! Blauwwitje, Rosa en Goudblad. Schoongewassen, nog vochtig gekreukt te drogen op de vensterbank boven de verwarming. Het was hard nodig. We waren verworden tot smerig, aangekoekte snottelappen.  Wij staan in de frontlinie en knappen het vuile werk op. Des te merkwaardiger dat wij zo lang zijn verguisd. Becommentarieerd. Afgeserveerd. Maar goed, het tij is gekeerd. Nu zijn wij populair. Voor het afweren van ronddansende aerosolen.  Voor de gezondheid van onze drager. Wij gaan mee in hun jassen, bedekken de gezichten. We leggen heel wat kilometers af. Naar winkels en boswandelingen. Wij absorberen spanning en stress.  Adem in – adem uit.

Het is leuk om hier samen te zijn. Samen kletsen. Samen roddelen. Over dat onze eigenaars met ons  veel zelfbewuster ergens naar binnen gaan. Ze voelen zich veiliger hoewel het nog maar de vraag is of dat werkelijk zo is. Maar laat ze dat vooral denken.  

We vertellen over hoesters, proesters en kuchers.  Over voorzichtigers met hun schichtig heen en weer springende ogen, over slordigers en friemelende pulkers met onder de neus of kin half afgezakte doekjes. Onverschilligers met blote gezichten.

En dan onze soortgenoten. Van papier, bedrukt met bloemen of motieven. Maar niemand, niemand  is zo mooi als wij. Voel onze mooie zachte katoenen stof. Ons welgevormd model. Onze prachtige kleuren. Wij zijn een lust voor het oog.

Binnenkort is het zover. Dan wordt Kerst gevierd met de halve familie. Maar wij zijn voltallig , alle drie.

Sudderlapje

Vandaag is het 9 november, de verjaardag van mijn schoonmoeder. Zij zou dit jaar 96 zijn geworden.. Ik wil haar graag eren met dit verhaal.

Sudderlapje

‘Ik wil dat eten niet’, zegt ze met luide boze stem. Ze schuift het bord voor haar naar het midden van de grote tafel. De anderen, haar medebewoners lijken onverstoorbaar en eten gestaag hun bord verder leeg.

Mensen met de ziekte dementie ontroeren mij. Hun kwetsbaarheid, maar ook hun gevoel voor humor, plotselinge wisselingen van humeuren, blijdschap om een zachte aanraking.

Ze zeggen wat ze vinden, zijn boos, verdrietig of blij. Natuurlijk zijn daar ook nare momenten bij: verwarring, ongeremde boosheid of woede en angst of onzekerheid. Maar die momenten waaien over, als wolken in de lucht. En dan schijn zo maar weer even de zon.

Mijn schoonmoeder woont sinds een aantal weken in het verpleeghuis. Zij heeft vasculaire dementie en kan niet langer alleen wonen. De overgang van de eigen woning naar haar nieuwe onderkomen is gelukkig vrij soepel verlopen. Ze heeft het naar haar zin op haar nieuwe kamer met de eigen oude meubels en vele snuisterijtjes. Ook in de huiskamer vindt ze het gezellig met de andere bewoners.

Deze week nam het verzorgende contact met mij op. Het zou niet lekker lopen met de maaltijden. Of ik een keer aanwezig wilde zijn om het met eigen ogen te kunnen zien.

Ik pak het bord vast en beweeg het voorzichtig haar kant op. Dat valt helemaal verkeerd.

Ruw schuift ze het bord opzij. Een in jus gedrenkte aardappel en enkele rode bietjes komen naast het bord op de tafel terecht.

‘Mam’ probeer ik

‘Nee, nee, nee, ik wil die troep niet’

Ik sus, blus maar niets helpt.

‘Wat wil je wel?’

‘Ik wil het zelfde als zij allemaal’

Ha, nu is het duidelijk. Mijn schoonmoeder, een trouw vegetariër sinds een dertigtal jaren, krijgt een andere maaltijd dan de overige bewoners. Een maaltijd zonder vlees. En dat bevalt haar niet.

Ik loop de huiskamer uit en bel met mijn schoonzuster, ook vegetariër. We overleggen kort. Gelukkig is zij met mij van mening dat voortaan onze (schoon)moeder dezelfde maaltijd als de andere bewoners krijgt.

Even later heb ik het bord omgewisseld. Mijn schoonmoeder straalt.

Smullend smakt ze een stukje vlees naar binnen.

‘Mmm..  lekker  sudderlapje.’