De Bloemenman

Vandaag schrijf ik een kerstverhaal dat deze week ook in Haren de Krant is geplaatst. Ik neem een paar weken schrijfvakantie en schrijf eind januari een nieuw verhaal. Graag bedank ik mijn trouwe lezers voor alle positieve reacties van het afgelopen jaar op mijn geplaatste verhalen. Ik wens jullie allen goede feestdagen en een vooral gezond 2022

Mijn moeder houdt niet van feestdagen. Niet van Sinterklaas, Kerst of verjaardagen. Waar het kan vermijdt ze het, waar het niet kan doet ze het minimale. Ik herinner mij de kerstdagen thuis, die uiterst voorspelbaar, saai en traag verliepen. Een aantal jaren hadden we een kerstboom, maar vanaf het moment dat we een hond kregen, was het kersboomtijdperk voorbij. Dit vanwege het ‘feit’ dat de hond tegen de kerstboom zou opspringen. Mijn vader deed zijn best de boel nog wat te versieren. Op een aantal plaatsen in de kamer hing een enkele witte of rode kerstklok. Prachtig vond ik het met gekleurde lampjes versierde schilderij in de achterkamer. Vooral bij het schemeren, wanneer de tijd stil leek te staan.

Het kerstmenu was altijd hetzelfde, in plakken gesneden, koude rollade en rauwe en gekookte lof. Geen toetje. Er werd middags om drie uur gegeten. Mijn moeder heeft altijd een hekel aan middagen gehad, dus die kortte ze gewoon in.

Toch zou ik mijn moeder niet ongezellig willen noemen, zij creëerde zo haar eigen feestjes.

Regelmatig ontving ze haar vriendinnen om uitgebreid met elkaar te praten en kopjes koffie te drinken. Mijn zusje en ik, werden dan de straat op gestuurd, ongeacht het weer. Of, de donderdagavonden. Mijn vader verliet het huis om te klaverjassen met collega’s van zijn werk. Mijn moeder kleedde zich pontificaal aan. Zij droeg dan haar camel kleurige plooirok, een zwarte blouse met een witte kraag en schoenen met hoge hakken.

Mijn zus en ik, al ouder toen, werden naar onze eigen kamer gestuurd. Daar konden we de twee vijfenveertig toerenplaten, die mijn moeder de hele avond draaide, horen: de ‘Vioolromance nummer twee van Beethoven’ en ‘Please release me, let me go’ van Engelbert Humperdinck.

Maar het meest bijzondere feest is in december. Elk jaar, ongeveer twee weken voor Kerst verschijnt in onze straat de bloemenman. Zijn gezicht heeft scherpe trekken; een lange neus puntige kin, ingevallen bleke wangen en dunne bloedeloze lippen. In zijn rechter mondhoek bungelt een shagje. Hij draagt een pet met klep en een oude lange jas. Hij duwt de kar met de hand. In de kar staan twintig azalea’s, rood, wit en roze. Hij belt bij ons aan. Mijn moeder, veegt haar natte handen al lopend aan haar schort af en opent de deur. Ik loop achter haar.

 ‘Ach, daar bent u weer’. Mijn moeders gezicht lacht. De twintig azalea’s worden op een klaar staande tafel in de schuur van de buurvrouw gezet, uit het zicht en bereik van mijn vader. Hij heeft geen weet van de bloemen die van het huishoudgeld zijn betaald.

De volgende dag en de dagen daarna gaan mijn moeder en ik in de namiddag samen op pad. We dragen elk een tas met een paar planten erin. We gaan naar meneer Emming, oma van Olst, meneer Hollewand en nog andere mensen uit onze straat en het aangrenzende plein. Elke alleenstaande en volgens mijn moeder, dus eenzame buurtgenoot, wordt bezocht. Man of vrouw maakt niet uit. Ik mag aanbellen en mijn moeder overhandigt de azalea: rood, wit of roze.

Ik zie ik zie

Kalf, Kalfje, Weide, Dieren, Natuur

Ik zie, ik zie

‘Oma, oma’ Ongeduldig klinkt de stem van mijn kleinzoon. Hij staat voor het schilderij.

‘Kijk’ daar sta ik’. Zijn vinger wijst het jongetje met de bruine pet aan.

‘Wie is het meisje’

‘Lena. ‘

‘En wie is de vrouw?’

‘Dat is mama.’

‘Het kalfje kijkt mij zo aan’

zegt ze vertederd. Mijn schoonmoeder loopt langzaam door haar kamer van het Verpleeghuis. Staat stil bij het schilderij aan de wand. Haar lippen drukken een trage kus op de behaarde huid. Met een vinger aait ze zijn rug. Loopt terug. Gaat zitten, zakt weg in de bordeauxrode fauteuil met de grote houten armleuningen. Rechts naast haar staat het bed. Voor haar de ronde salontafel waarop een aantal oude kranten liggen met opgerulde gelig verkleurde randen. En het kleine notitieboekje waar op sommige bladzijden verdwaalde woorden staan.

‘Hij kijkt mij zo aan’ zegt ze.

Het schilderij met bruine lijst en koperen rand steekt af op de wittige wand. Er is een vrouw, een boerin zo lijkt het. Ze is geknield, draagt een wijde vaalblauwe jurk met beige schort die om haar heen valt en tot de grond reikt. De mouwen zijn opgestroopt tot haar ellebogen. Ze houdt een emmer vast met haar linker hand waaruit een lichtbruin wit gevlekte kalf drinkt. Haar hoofd is naar beneden gericht, zo ook van het kleine meisje dat ze met de andere arm op schoot houdt. Rechts voor haar staat een jongetje, helemaal in het bruin tot en met de pet op zijn hoofd. Ook hij kijkt naar het kalf. Zijn handen steken in de zakken van zijn broek. De gezichten zijn vaag. Om hen heen wat gras, in de verte een houten omheining waar een stuk hout uitsteekt. Bovenaan het schilderij wolken, onbestemd van kleur.

Nog lang, lang nadat gezichten verwaasden, zinnen verdwenen, soms nog een enkel woord, leek mijn schoonmoeder het kalfje te herkennen. Bleef er naar kijken, als een heldere ster die haar de weg wees op het donkere pad.

Schaamteloos

Schaamteloos

‘Jouw vader heeft zijn hele leven al pech’ zegt oom Henk. Hij is naast mij komen zitten.

We zijn in de kleine aula van het Crematorium in Groningen. We gedenken tante Puck, de zuster van mijn vader, die eerder die week is overleden. De sfeer in deze kleine ruimte is prettig. Er staan een aantal tafels met stoelen er om heen. Ik hoor het voortkabbelende gepraat van familieleden rondom mij. Het heeft iets rustgevends. Tante Puck is ruim negentig geworden en dat maakt haar overlijden lichter. Tenminste voor mij. Voor haar drie zonen is het waarschijnlijk anders, het is natuurlijk wel hun moeder.

‘Ja’, gaat mijn oom verder’ het zat hem nooit mee. Ook niet toen de oorlog uitbrak en hij en ik werden opgeroepen voor de Arbeitseinsatz *. Wij wilden daar niet aan meewerken en doken beiden onder. Ik bij mijn vader op de boerderij en jouw vader op een ander adres.

Jouw vader was weer de klos, werd verraden door een NSB-er. Opgepakt en verbannen naar strafkamp ‘Erika’. Ik ben niet gepakt en heb de oorlog in relatieve vrijheid doorgebracht.

Mijn vader ging dus naar strafkamp ‘Erika’ in Ommen. Heeft daar een zware tijd doorgebracht. Het kamp stond bekend om zijn wrede behandeling van gevangenen. Berucht vanwege Herbertus Bikker, de beul van Ommen. Na drie maanden vertrok hij naar Malchow, in voormalig Oost-Duitsland. Hij werkte in een gevaarlijke munitiefabriek. Ongeveer de helft van de werknemers waren buitenlandse dwangarbeiders die voor werk naar Duitsland waren gedeporteerd. Later werden ook gevangenen uit het concentratiekamp Ravensbrück ingezet. Regelmatig gebeurden er ongelukken waarbij mensen verminkt raakten of omkwamen. Tante Puck heeft via de huisarts een doktersverklaring naar het kamp gestuurd. Daarin stond dat mijn vader zwaar hartpatiënt was. Vanaf dat moment kon hij op kantoor werkzaamheden kon verrichten. Hij is hier gebleven totdat de Russen het kamp bevrijdden op 2 mei 1945. Mijn vader is toen lopend, soms liftend teruggereisd naar Nederland. Sterk vermagerd en ziek kwam hij aan.

Er was geen welkom. Wie naar Duitsland was gegaan werd gezien als een vrijwilliger voor de oorlogsindustrie. Als een collaborateur met slappe smoesjes. Zo verhaalde de Trouw onlangs in een artikel met als titel:

‘Zorgt schaamte voor zwijgen over de dwangarbeid in Duitsland?’

Ik voel me geraakt door het woord ‘schaamte’.

Mijn lieve vader, zó geleden, zó miskend.

Er worden die middag meerdere familieherinneringen opgehaald. Mooie, dierbare verhalen.

Over tante Puck. Over de andere broers en zusters. Over mijn ouders en grootouders. Later brengen we mijn tante naar het kleine kerkhof in de Moesstraat. Daar wordt zij bijgezet bij haar vader en moeder.

*Arbeitseinsatz  in 1943 werden jonge mannen werden gedwongen door de bezetters om dwangarbeid in Nazi-Duitsland te verrichten.

Schwung

vintage china - porselein servies stockfoto's en -beelden

Het klinkt misschien raar, maar hij heeft in meerdere of mindere mate last van bepaalde neigingen. Bijvoorbeeld om iets geks of bijzonders te doen. Iets wat niet passend is bij de context van de situatie op dat moment, maar wat plotseling in hem opkomt. Niet dat hij het dan doet, maar toch…

In zijn werkzame leven fietste hij gedurende een aantal jaren elke morgen naar Groningen. Het is fijn om te fietsen, de frisse buitenlucht, de wisseling van de seizoenen. Je maakt het allemaal mee. Nou goed. Iedere morgen gebeurde het op dezelfde plek. Dat hij links af moest slaan, maar sterk de behoefte voelde om rechtdoor te fietsen, hetgeen geheel niet logisch was. Want wanneer hij rechtdoor zou fietsen, fietste hij het weiland in. Een weiland dat zich ver voor hem uitstrekte. Een weiland waarvan hij het einde niet kon zien. Maar het trok aan hem. Verlangend keek hij vooruit. Een siddering doortrok zijn gehele lichaam. Denken kon hij niet. Alleen dat alles verzengende verlangen om rechtdoor te fietsen. Hij kan wel zeggen dat zijn plichtsgevoel en behoefte aan regelmaat en zekere orde in zijn leven, hem belette aan deze onzinnige neiging toe te geven.

Laatst nog. Ook zoiets geks. Hij liep de supermarkt binnen en keek al lopende naar de uitgestalde boodschappen. Af en toe pakte hij iets, een pak koffie, lucifers, een paar appels. En toen gebeurde het. Terwijl hij door het gangpad afwisselend links en rechts naar de schappen keek kreeg hij de onbedwingbare behoefte om spullen te pakken en op de grond te gooien. Nee, niet gooien, maar smijten. Keihard. Het liefst breekbare spullen. Glazen potten of flessen wijn. Terwijl hij eraan dacht sloot hij zijn ogen voor rondvliegend glas.

Maar hij deed het niet. Natuurlijk niet. Ten slotte is hij een uiterst beheerst persoon. Meestal tenminste. Zo staat hij bekend. Zo kent men hem. Altijd keurig in het pak, voorkomend in de omgang met een vriendelijk woord voor iedereen. Tikkeltje ouderwets.

Toch las hij laatst in een krant of tijdschrift, hij weet het niet meer precies, dat in Japan werkgevers hun personeel af en toe met porseleinen serviezen laat kapot gooien. Zoiets als een personeelsuitje. Het zou goed zijn voor het ontladen van werkstress. Gelijk moest hij denken aan het servies van zijn moeder. De kopjes, borden met versierde randen, vol gouden krullen en roze bloemetjes met groen kleine blaadjes. Het servies dat nooit werd gebruikt en in de kast eenzaam en onaangeraakt op een plank stond.

Vandaag kijkt hij naar zijn gezicht in de spiegel. Vindt het zo gek nog niet. Zijn bos grijze haren dunt in maar de her en daar donkere zwarte haren geven hem enige ‘Schwung’.

Hij strijkt met zijn beide handen over het gezicht tot ze elkaar onder zijn kin vinden.

Dan trekt hij zijn jas aan en gaat naar buiten voor de dagelijkse wandeling. Vandaag is het een mooie herfstdag. Bladeren dwarrelen naar beneden. Het is wel wat fris maar de zon verwarmt zijn rug terwijl hij stap voor stap voortgaat. Hij besluit een kleine omweg te maken. Hij verlaat het pad en loopt via wat bosschages naar een grasland. Hij draait zijn gezicht naar de zon. Hij geniet. Hij verlangt. En als vanzelf gaat hij in het gras liggen. Boven hem de blauwe hemel. Onder hem het natte gras.

Tafelgenoot

Mooie lijstdie in witte kleuren wordt plaatsen

Tafelgenoot

We zitten aan tafel, Maxwell aan het hoofd, op de plaats van mijn man Hendrik zaliger. Hij draait zijn hoofd. Onrustig. Het witte servet dat zo mooi afsteekt tegen zijn donkerbruine huid zit hem dwars. Maar goed, er zit ons allemaal wel eens iets in de weg.
‘Niet klagen maar dragen’ zei mijn moeder. Eén van haar talrijke gezegdes, die ik als kind verfoeide maar toch in de praktijk nuttig blijkend te zijn. Ik pluk er nog dagelijks de vruchten van. Ik kijk nog even rond of alles in orde is. De muziek, een pianoconcert van Mozart klinkt zacht op de achtergrond. Het glas rode wijn wenkt naar mijn hand. De kaarsen op het dressoir met de rode loper met ruitmotief branden. Mijn ogen blijven steken bij de blauw gele vlam. De plooien de bordeauxrode veloursgordijnen raken tot op de grond. Ik knik naar Maxwell. We kunnen beginnen. Het kost me nog altijd moeite om naar Maxwell te kijken wanneer hij eet. Luidruchtig. Smakkend. Zó onsmakelijk. Ik heb alles gedaan om hem dat af te leren. Streng toegesproken. Gepaaid met iets lekkers. Genegeerd. Weggekeken wanneer hij met zijn smachtende bruine ogen mij aankeek. Niets hielp. Ik heb me er maar bij neergelegd.

We eten in stilte. Daar houd ik van. Langzaam breng ik de vork naar mijn mond en leg er een stukje aardappel op. Mijn tong rolt er overheen voordat ik het in kleine stukjes bijt.
‘Doe alles wat je doet met liefde en aandacht’.
Ja, mijn moeder zit altijd nog in mij. Teveel als je het mij vraagt. Daarom was ik zo blij met Hendrik. Een kalme, rustige man. Keurige man. En nu heb ik dus Maxwell. Maxwell is van een andere orde. Maar hij is van mij. Ik vorm en kneed hem voor eigen gebruik. Dat gaat me wel aardig af, durf ik te zeggen, al blijft er nog wel wat te wensen over. Bijvoorbeeld altijd die drang om naar buiten te gaan. Het gaat niet alleen om het lopen, maar ook zijn onwelriekende geuren die hij stilstaand op sommige plaatsen pleegt te verspreiden. Ik wend mijn hoofd dan af en spreek hem bestraffend toe, wetende dat het eigenlijk niets anders kan, maar mij toch teleurgesteld voel op zo’n moment. Teleurgesteld door het verschil tussen ons. Onoverbrugbare afstand. Ik voel me dan zo alleen.
‘Ieder mens loopt zijn eigen levenspad’.
Dat zal zo zijn maar wat heb ik daar aan? Liefdevol nu wend ik mijn hoofd naar Maxwell. Mijn hand liefkoost zijn gezicht. Zijn trouwe blik. Zijn fysieke aanwezigheid. Zijn zachte maar toch stevige stoere haren. Zó troostend. Mijn lieve Maxwell. Mijn lieve hond

Simon

stockillustraties, clipart, cartoons en iconen met retro delicate trouwkaart met roze aquareltextuur en bloemen - bloemetjesbehang

Simon

De kamer is anders nu. De stilte is zwaar. Donker. Het is natuurlijk ook leger zonder haar. Zonder Emma, zijn moeder. Hij perst zijn lippen op elkaar, slikt iets bitters weg. De pauwblauwe stoel ziet er leeg en verlaten uit. Toch is het net alsof hij haar blik voelt. Hij kijkt snel de andere kant op. Naar de wand met het verschoten bloemetjesbehang. De roze-witte rozen staren hem verlept aan. Hij trekt zijn linker schouder iets omhoog en staat stil. Snuit zijn neus en loopt naar de rechthoekige keuken waar nog een aantal voorwerpen op het aanrecht staan. Een bordje, fruitmesje met oranje handvat, kaasschaaf, kopje en een doosje lucifers. Op het gas staat een steelpan zonder deksel.

Twee dagen eerder was hij gebeld. Door de thuiszorg. Gelijk wist hij dat het mis was. Met Emma.

Hij had geschokt gereageerd. Maar ook niet weer te geschokt. Per slot van rekening was ze ruim negentig jaar. Een gezegende leeftijd zegt men. Toen volgde het hele circus van dingen regelen tot en met kletspraatjes met de buren.

‘Ja, heel onverwachts…

‘Ja, ze is zacht gestorven (in haar eigen bed)…

‘Ja, een heel gemis…’

In de keuken blijft hij talmen.

‘Draaloor’ hoort hij haar zeggen. Hij ziet de geveinsde glimlach op haar gezicht. Glimlach vol met minachting voor hem. Voor hem.

Weg wil hij, weg van hier. In de haast schaaft hij zijn hand aan de punt van een kastdeurtje.

Buiten haalt hij opgelucht adem. Tot een verschrikkelijke gedachte hem de adem beneemt:

Het glas. Het glas stond niet meer op het aanrecht.

Zorgvuldig had hij die avond het drankje in het glas gegoten. Emma aangemoedigd om het op te drinken. Dat had ze gedaan. Maar nu staat het glas er niet meer…

Gerda

Yoga, Yogamat, Groente, Yoga, Yoga, Yoga

Maandagavond.

Ik loop de yogaruimte binnen en zie haar. De vrouw met het halflang zwarte haar. Ze zit op een groot badlaken. Heeft haar hoofd opgeheven naar Betty onze yogadocent. Ik onderdruk een lichte wrevel. Iedere keer zit zij daar, vlak bij Betty. Ze hebben altijd veel aandacht voor elkaar. Niet alleen nu maar ook tijdens de les. Het ergert mij. Daaronder zit iets van jaloezie, rood met zwart.

Later, veel later worden we vriendinnen. Gerda de vrouw met het zwarte haar en ik.

Als ik weet dat Gerda multipele sclerose heeft.

Als ik schaamte heb gevoeld over mijn gedachten van jaloezie:

‘Waarom krijgt zij zoveel aandacht en ik niet?’

Gerda kraag MS toen haar dochter en zoon ongeveer twee en drie jaar waren. Ze kon opeens niets meer zien. Onderzoek volgde en daarna het vonnis: Levenslang.

Van Multiple Sclerose genees je niet.

Nu zijn haar kinderen jong volwassenen. Haar zoon woont niet meer thuis, haar dochter wel. Ongeveer een keer per maand bezoek ik haar en zij mij. Gerda heeft een energieke, creatieve geest, gevangen in een ziek lichaam. Ze schildert. Maakt prachtige aquarellen.

Van landschappen of haar geliefde zwarte poes.

Ik herken in haar de doorzetter.

Ik herken ook in haar de onderwijzeres die ze is. Regelaar. Heeft als een spin midden in het alle touwtjes in handen.

Gerda doet steeds een stap terug. Van lopen met een stok, fietsen met aangepaste fiets tot de rolstoel. Samen met haar man, dochter, zoon, moeder, zuster en anderen leidt ze een zo normaal mogelijk leven. Onze vriendschap blijft. Gerda die weet wat zij wil en ik de eeuwige twijfelaar. Dat gaat prima samen.

Wanneer ze vijfentwintig jaar is getrouwd gaat een lievelingswens van haar in vervulling. Samen met haar gezin viert ze een fantastische vakantie op Curaçao.

Dan slaat het noodlot toe. Na een periode van erge rugpijn blijkt ze kanker te hebben met uitzaaiingen. Genezing uitgesloten. Er rest haar nog beperkte tijd.

Ik hoor haar nog via de telefoon mij het noodnieuws vanuit het ziekenhuis vertellen. De stem rustig met af en toe een kleine hapering.

‘Nee, ik word niet meer beter. ..

Ja, ik wil naar huis…

Ze regelt een andere huisarts, want haar huidige beviel toch al niet goed…

En ja, het is zwaar om naast haar MS nu kanker te hebben…

Ook in deze periode blijven we elkaar ontmoeten. Praten over het leven van alledag.

Over de dood. Haar dood. Die ze moedig onder ogen ziet.

Ongeveer drie maanden later overlijdt ze na een kort en heftig ziekbed.

Na een mooie, persoonlijke door haar man en kinderen georganiseerde dienst voor Gerda in Winschoten vertrekken we naar de Galerie de Groninger Kroon. Omringd door prachtige kunst en het mooie Groninger land gedenken we Gerda. Er wordt gelachen, verhalen verteld. We heffen het glas. We vieren haar leven. Gerda’s leven.

Een maand later hoor ik de deurbel. Er staat een voor mij onbekende vrouw op de stoep.

‘Mag ik U iets vragen?’

‘Ja dat mag.’

‘Wilt u collectant voor het Spierfonds worden’

En ik, die een hekel heb aan collecteren, zeg Ja.

Ik wil niets anders, dit komt nu op mijn pad en het voelt goed. Ook al is MS een neurologische aandoening, je hebt ook veel last van je spieren.

Dus loop ik vandaag weer voor de jaarlijkse collecte van het Spierfonds. Met een collectebus en een vrolijke oranje tas. Denkend aan Gerda wandel ik over een oprit en bel aan. Na enig wachten wordt de deur geopend en houd ik de bus voor mij uit. Ik vraag: ‘Goedemiddag wil u iets geven voor het spierfonds?’

De vrouw stopt wat geld in de bus. Ik knik haar vriendelijk toe en loop naar het volgende huis.

Lieve Jayla

Verdriet rolt uit mijn oog

Op het terras in Ravenstein

Met Japanse drilkoffie

En appeltaart met room

Maar jij zit niet naast mij

Je danste het leven door

Jij spring-in-het veld

Lichtvoetig en blij

Aanhankelijk, eigenzinnig soms

Het is zo stil in huis

Met de vader en moeders

Baasjes van jouw  trouwe vriendinnen

Sandy en Luca

Hebben we je met aarde toegestopt

Nu heffen we het glas

Gevuld met witte wijn

We proosten

Een laatste groet

Porto Franco

Ik zit op zolder. Op mijn schoot ligt een plakboek met foto’s van verschillende filmsterren:  Tony Curtis, Ava Gardner, Gina Lollobrigida en Burt Lancaster.

Rondom mij liggen verschillende boeken en de verzameling postzegelalbums van mijn vader.

Vanmiddag komt mijn neef Thomas. Hij heeft in zijn huis een familiemuseum ingericht en komt spullen halen. Al bladerend word ik omhuld door muffe lucht met door de zon oplichtende dwarrelende stofdeeltjes. Als vanzelf komen herinneringen boven. Een andere tijd. Een ander huis. Een ander leven.

Ik kom thuis van een avond stappen. Heb mijn vrienden ontmoet, lekker gedanst en nu ben ik moe. Maar ik ga nog niet naar bed. Zachtjes loop ik de woonkamer binnen en vind op de tast de lichtschakelaar van de kleine schemerlamp met het porseleinen onderstel, waarin een man met pruik een elegant gebaar maakt naar een vrouw, zittend met een waaier in de hand. De lamp werpt een zacht licht op de lange donkergroene wand met haar grote, ovaalvormige bloemkelken. Omringd door nachtelijke stilte, schaars verlichte meubels en kasten vol antieke prullaria loop ik naar het dressoir.

Ik pak de grote blikken trommel en zet hem op tafel. Hij is zwaar van de vele mappen, sigarendozen en schriften met ruitjes. Schriften vol met kolommen cijfers. Alle uitgaven worden minutieus opgeschreven en bewaard.

Doelbewust trek ik een grijze map naar mij toe en open deze. De kleurrijke cijferfrankeerzegels van Wim Crouwel. Ik pak de enveloppe en kies voor deze keer de gele postzegel van 60 en na enig zoeken de paarse van 25 cent. Ik pak de brief uit mijn tas, stop hem in de enveloppe en klaar is kees.

Tevreden kruip ik even later m’n bed in.

Ik stel me het moment voor dat hij de brief leest. Voor hem ligt de open geriste enveloppe. Zijn ogen vliegen over de regels, hij drinkt de woorden in.

Mijn woorden. Hij leest het nogmaals, langzamer deze keer. En nog een keer. Hij drukt een zachte kus op de brief en houdt het papier voor zijn gezicht.

Een week later. Het is weer nacht, de brief geschreven en de grijze map ligt voor me. Mijn oog valt op een stuk papier dat naar buiten steekt. Ik pak het vast en lees:

‘Door het ontbreken van één of meerdere postzegels van deze series is mijn postzegelverzameling van nul en generlei waarde.  Je vader’.

Beeldspraak

Gisteren was ik de prachtige beeldentuin van kasteel Nijenhuis. Ik was daar om al het moois te bewonderen en om een verhaal te gaan schrijven over één van de beelden uit de beeldentuin. Het liep anders…

Nog een praktische mededeling voor mijn gewaardeerde lezers. Ik geef mijzelf zes weken schrijfvakantie en ontmoet jullie half augustus weer. voor nu veel leesplezier!

Vogels, Afbeelding, Tuin, Decoratie

Ze lijkt net een volgelverschrikker.

Het is de eerste gedachte die bij hem opkomt wanneer ze zijn tafel nadert. Haar wijd vallende kleding van onbestemde kleur, iets blauwachtigs of roze, ruist terwijl ze loopt. Hij ziet dat ze lang haar heeft, bruin met grijs dat als een vogelnestje in strengen om haar hoofd is gedrapeerd. Ze is bij hem wanneer hij half is opgestaan.

Hij zegt:

‘Dag.’

‘Ik ben Evert-Jan’

‘Aangenaam, ik ben Louise’.

Ze spreekt haar naam langzaam uit. Lijzig.

Ze gaan beiden zitten op het terras van kasteel ‘het Nijenhuis.’

Voor hen staan vele beelden stil in het gras van de uitgestrekte tuin.

Al snel ontspint zich een gesprek waarin hij de boventoon voert. Waarin hij vertelt in Haren te wonen. Dat zijn vader ambtenaar was, zijn moeder kleuterjuf en zo praat hij verder.

Af en toe klinkt spreekt zij een enkel woord of een zin. Haar stem klinkt als zacht ruisende blaadjes van een boom.

Zijn stem is hard.

Hij praat verder. Over zijn vrinden, de club waar hij wekelijks komt.

Op zeker moment buigen zij beiden over de tafel en geven elkaar een kus.

Ze buigen weer terug. Elk in hun eigen positie. Zij luistert. Hij vertelt.

Mensen in hun omgeving verlaten het terras, anderen nemen hun plaats in. Gaan weer weg. Zij blijven zitten.

Hij denkt dat het wel goed gaat. Louise, de stem klinkt nog als iets stroefs in zijn mond, lijkt geboeid te luisteren. Hij wil dat het ook goed gaat. Het moet. Hij gooit er nog een schepje bovenop. Zijn stem klinkt luider wanneer hij zegt:

‘Ja, deze wijn beveel ik je aan, hij is dróóg en fruitig’.

Louise knikt. Ze heffen het glas en proosten. Evert-Jan neemt een flinke slok en strijkt met de tong over zijn lippen.

Louise neemt een minislokje.

Evert-Jan:

‘Ik wil je graag vasthouden en een zoen geven’

Beiden staan op. Gaan naast de terrastafel staan.

Hij pakt haar handen vast en legt ze tegen zijn borst. Hijzelf slaat zijn armen om haar heen, kijkt haar aan en zoent haar op haar geopende lippen. Iets te hard bedenkt hij.

Ze gaan weer zitten.

Ze loopt het terras op en kijkt om zich heen.

‘Ja’, dat moet hem zijn. Ze ziet een forse lange man met een bos wit haar. Blauwe ogen die haar aankijken. Hij wenkt haar.

Hij zegt: ‘Dag. Ik ben Evert-Jan’

Zij zegt: ‘Aangenaam, ik ben Louise.’

Ze gaat zitten.

Evert-Jan begint gelijk te praten. Ze luistert met een half oor en probeert zich te ontspannen.

‘Kom op’, zegt ze tegen zichzelf

‘Dit is toch wat je wou. Een normale leuke man.

Ze kijkt hem aan. Ziet zijn gebruinde gezicht, de volle lippen, het grote witte bos haar dat zijn gezicht omlijst.

‘Wel een stoere kop ‘ besluit ze.

Maar het lukt haar niet om lang naar hem te kijken. Ze voelt haar nek verstrakken en draait hem rustig heen en weer. Ze ziet andere mensen. Een jonge vrouw, met een jonge en oudere man aan het tafeltje naast hen. Een stel met waarschijnlijk de vader van één van hen. De vrouw kijkt op haar telefoon en drinkt een glas met een bruine drank. IJsthee, appelsap misschien.

De oude en de jonge man kijken samen naar de plattegrond van de beeldentuin. Die van haar zit nog opgevouwen in haar tas.

Ze kijkt haar tafelgenoot aan. De koffiekopjes staan leeg op de tafel.

Hij praat en praat. Blijft praten. Zijn woorden rollen als grote woeste golven over haar heen.

‘ Loge..

  Vrinden..

  Ambtenaar..

  Haren..’

Dan ineens buigt hij zich naar voren. Zij buigt ook en dan is er een zoen.

Ze merkt dat ze zich afsluit. Hij opent zich. Met brede armgebaren en woorden en zinnen die naar worden toegeworpen.

Zijn stem klinkt luider. Ook scherper alsof en stukjes kiezelsteen tussen zijn tanden zit.

Ze kijkt hem aan. Probeert zich te vermannen. Het lukt niet.

Ze neemt een klein slokje van haar glas witte wijn.

Hij gaat op staan en zegt:

‘Ik wil je graag vasthouden en een zoen geven.’

Als een braaf meisje staat ze op. Laat haar handen vasthouden. Laat zich omarmen.

Hij zoent haar. Een harde zoen.

Ze staat op, pakt haar tas.

Dààg zegt ze.

Fladdert het terras af.