De dwerg en sneeuwwitje

In deze coronatijd worden we overspoeld met negatieve berichten. Ik wil daarom vandaag een positief verhaal vertellen. Het sprookje van sneeuwwitje en de zeven dwergen. Sneeuwwitje is ziek zoals vele mensen nu. De zeven dwergen geven haar veel zorg en liefde. Maar is dat genoeg? Word sneeuwwitje weer beter? Het verhaal wordt verteld vanuit de kleinste dwerg Pedrev.

Dwerg, Snoep, Suiker, Zeven, 7, Zoete

De dwerg en Sneeuwwitje

‘Friemela  froemela  fuchsia

Bliezende blurrende  begonia’

Stevig doorstappend loopt de dwerg zingend de heuvel op. Wanneer hij de top in het vizier krijgt, wordt zijn gezicht opgelicht door de late, langzame namiddagzon. Uit zijn mond komen kleine ademwolkjes. Zijn, door stoere kaplaarzen omsloten voeten, buitelen haast over elkaar heen, omhoog omhoog!

Pedrev is de kleinste van de zeven dwergen van het boshuis uit het dal beneden. Iedere dag loopt hij om precies dezelfde tijd op precies dezelfde weg naar precies dezelfde bestemming.

Het is de hele dag een gaan en komen van alle dwergen. Iedere dwerg gaat op een vast tijdstip naar boven en later weer naar beneden.

Boven aanbeland ziet hij Roeski zitten op een kussentje met rozerode rozen. Naast hem staat een rugtas. De meeste dwergen nemen wat te lezen en te knabbelen mee om de tijd te doden. Pedrev heeft alleen een zakje bij zich waarin een doekje en een schroevendraaier zit.

Het is het moment van wisseling van de wacht. Roeski aanvaardt de terugtocht en verdwijnt langzaam uit het zicht. Pedrev wacht nog even en pakt dan het zakje en haalt langzaam, heel langzaam de schroevendraaier tevoorschijn. Dit is een groots moment. Hij kijkt naar de kist en werpt een blik door het glazen deksel. Zijn gezicht straalt. Daar ligt ze, Sneeuwwitje, zijn Sneeuwwitje, lijkbleek in de kist.

Hij draait de zeven schroeven van het deksel los, kijkt om zich heen, kijkt nog een keer, opent het deksel en kruipt vliegensvlug naar binnen. Hij maakt zich klein en nestelt zich in haar oksel. Later drukt hij een zacht kusje op haar voorhoofd en verlaat de kist. Weer later loopt hij langzaam, langzaam de heuvel af.

De volgende dag.

Pedrev wordt wakker van lawaai. Hij kan het niet plaatsen. Wanneer hij zijn ogen opent ziet hij de dwergen. De gezichten versierd met rode blosjes, felle ogen en met veel geroep dansen ze de kamer rond. Adruktis schreeuwt hem toe:

‘Sneeuwwitje leeft, ze leeft… ze gaat trouwen met de prins, haar redder, leve Sneeuwwitje’

‘Sneeuwwitje, nee! nee!  nee! , ze was toch zijn prinses? ‘ Het wordt Pedrev gitzwart voor de ogen.

Hij voorziet een lang en ellendig leven.

Natuurlijk trouwt Sneeuwwitje met de prins. Ze wonen in een prachtig paleis, met deurknoppen van goud, diamanten raamkozijnen, fluwelen deuren en eten elke dag taartjes vol heerlijke vruchten met een toef slagroom. De prins is de liefste, mooiste, aardigste man van het hele land en houdt met heel zijn hart van Sneeuwwitje.

Haar hart, of liever gezegd, haar linker oksel voelt echter koud en leeg aan. Ze probeert de leegte met alles te vullen; een kruik, een heus okselkussentje, het helpt niet. De prins hevig verontrust, belegt een vergadering met de knapste professors, het helpt niet.

‘Friemela froemela fuchsia

Bliezende blurrende begonia’

Helder klinkt de stem van Pedrev terwijl hij in gezwinde pas het paleis nadert. Vannacht vertelde de droom hem onmiddellijk Sneeuwwitje te bezoeken. Hij is benieuwd maar vooral verlangend haar weer te zien. De lakei met witte pruik en glanzende hoge laarzen brengt hem naar de slaapkamer, waar Sneeuwwitje lusteloos naar zich zelf in de spiegel staart.

En dan gebeurt het. Sneeuwwitje spreidt haar armen en met een vreugdekreet springt Pedrev omhoog naar het welbekende heerlijke plekje. Vanaf deze dag ligt Pedrev elke ochtend, om precies dezelfde tijd (wanneer de prins het bed verlaat) op precies het zelfde plekje. En hij leefde nog lang en gelukkig.

AFTER DINNER

After-dinner

De stemmen gonzen als bijen rond zijn hoofd.  De gasten, vrienden,  hebben genoten van het eten. De begeleidende witte en rode wijn versterkt het voldane gevoel. Er heerst een lome, doezige stemming.

Nu is het zijn beurt. Olaf staat op en loopt rustig naar de keuken. Liefkozend raakt hij in het voorbijgaan het apparaat aan. Vanuit zijn linker ooghoek ziet hij een paar vlekjes, kleine oneffenheden. Hij pakt een schone doek en poetst het weer schoon. Alles blinkt en glimt. Zijn hart zwelt, met een trotse blik kijkt hij naar zijn espressomachine.

De kopjes, verschillend van kleur, worden met kokend water gevuld op het aanrecht gezet. Hij weet al precies wie welk kopje krijgt. Hij draait het deksel van de koffiemolen open. De diepdonkere geur van de Colombiaanse koffiebonen, stijgt hem naar het hoofd.

Met het borsteltje verwijdert hij koffiedrap uit de filter aan de rechterkant van de machine. De bonen maalt hij ruim voorbij stand zes, iets minder dan stand zeven. Hij let goed op dat de kopjes tot op juiste hoogte met koffie worden gevuld. De kopjes worden gedroogd en op een van tevoren klaargelegd keukenrolpapiertje gezet.

Tevreden kijkt hij naar het dunne crème-bruine schuimlaagje op de bovenkant van de koffie, vol, romig en een beetje vettig.

Hij gunt zijn gasten het allerbeste, hij draagt ze een warm hart toe.

Madelieven

Madeliefje, Bloem, Bloesem, Witte, Bellis Filosofie

heet het verhaal voor vandaag. Bedankt voor jullie reacties op mijn vraag voor nieuw schrijfvoer. Vandaag dit verhaal dus, met het thema hond-baas. Er zijn nog andere opties, waarover ik kan en ga schrijven. Maar eerst nu graag jullie aandacht voor…

Madelieven

Stap        stap            stap Stap- stap –stap- stap- stap Mijn baas is een lieve bazin. Maar ze loopt wel snel. Heel snel. Altijd in de starthouding. Op weg naar het éen of ander. Vaak naar feestjes. Mijn bazin is dol op feestjes. Op dansen. Mensen weten haar wel te vinden. Komen graag bij haar. Ze is gul. Gul in het geven. Ook aan mij. Ik houd van haar. Maar ik ben niet blind voor haar foutjes. Neiging tot een beetje slordigheid tot verdriet van haar man. Te volle agenda’s. Soms denk ik wel eens ‘ze rent haar leven voorbij’. Maar dat vindt zij niet. Zij geniet, zij leeft het leven. Ik probeer haar soms af te remmen, loop met mijn lome langzame hondenpassen. Het helpt niets.

S ’nachts hoor ik haar wel eens zuchten. Of hoor ik de zoveelste bladzijde van een boek omslaan. Met enige regelmaat staat ze op. Dat is fijn want dan word ik uitgebreid geaaid en beknuffeld. En dan hebben we tijd voor een goed gesprek. Zij vertelt. Ik luister. Over haar zorgen die er soms ook zijn. Door mij wordt ze weer rustig. Voor mij is het een kleine moeite. Mijn aanwezigheid is al voldoende. Haar hand beweegt langzaam over mijn rug. Langzaam, langzamer. Traag. Houdt stil op mijn kop. Dan kom ik in actie. Ik geef haar een volle lik over haar hand. Het liefst over haar gezicht, maar daar houdt ze niet van. Voor mij zijn de nachten ook niet altijd een pretje. Ik word helaas geplaagd door een aantal kwalen, ik ga ze hier niet noemen. Maar vooral s ’nachts word ik regelmatig belaagd door ongewenste oprispingen en onwelriekende geuren. Mijn bazin is er dan altijd voor mij. Ze klaagt niet, ruimt op en spreekt lieve woordjes tegen mij.

Binnen in mij is een stil verlangen Een verlangen naar vroeger, toen mijn bazin nog een jong meisje was. Een vrolijk huppelend kind dat soms languit in het gras ligt. Met armen boven haar hoofd. Zij kijkt naar boven. Naar de blauwe lucht. Naar witte wolken die langzaam voorbij drijven. Naar de zon die haar ogen een beetje doet dichtknijpen. Ik lig naast haar, met uitgestrekte poten. Ik kijk naar haar. Haar tong steekt een stukje uit haar mond. Vol aandacht houdt ze madeliefjes in haar hand. Ze prikt een klein gaatje in de stengel en steekt er een ander madeliefje doorheen. En nog éen, en nog éen. Totdat er twee bloemenkransen zijn. Eén voor haar, éen voor mij. Ik moet zeggen dat de wit-gele madelieven mooi kleurt bij mijn diepzwarte vacht. We staan op. Ik leg mijn poten op haar schouders. We maken een dansje.

Spoorzoekertje

1990 ‘Ik heb het geruimd hoor’. Het is het eerste dat mijn moeder tegen me zegt wanneer ik de huiskamer van de aanleunwoning binnenkom. Het appartement waar mijn moeder woont sinds het overlijden van mijn vader twee jaar geleden. Ik kijk om mij heen maar zie niets bijzonders. De tweezitsbank met het gekleurde verenmotief, de kersenhouten ronde tafel vol met boeken, het tinnen theeservies. Mijn ogen blijven haken bij de buikvormige suikerpot. ‘Wat heb je geruimd?’ ‘O, het graf van het kindje.’ ‘O’ papegaai ik terwijl een raar gevoel in mij omhoog kronkelt. Dan is het weg. Het kindje is mijn broertje. Overleden een dag na zijn geboorte. ‘Het was beter zo ‘ zei mijn moeder de zeldzame keren wanneer zij over hem sprak. ‘Hij zou anders maar zwaar gehandicapt zijn. Of: ‘het was al zo druk met jullie beiden.’ Ik heb het lang als zoete koek geslikt. We hebben het graf nooit bezocht. Geen idee waar hij is begraven. Mijn vader sprak nooit over hem. Ik heb er nooit naar gevraagd. ‘Hoezo geruimd?’ vraag ik. ‘De huur van het graf wordt niet verlengd. Anders moeten er later kosten worden betaalden dan is het jullie maar tot last.‘ Het woord ‘last’ blijft bij mij hangen. Even maar. Daarna drinken we een kop koffie.

2019 Het is één uur. Ik sta onder de Martinitoren en wacht op Ida. Daar komt ze aanfietsen. Haar lange donkere haren dansen om haar schouders. Ze stapt af. We kijken elkaar aan. Onwennig. Het is een verwarrend moment. We gaan naar ons broertje. Ons broertje dat zestig jaar geleden is begraven. We hebben naar dit moment toegeleefd. Maar nu zien we er tegen op. Zullen we maar?’ vraagt Ida. We fietsen weg. In mijn rechterhand houd ik een bos witte rozen.

Dan zijn we er. Bij Selwerderhof. Het is winderig met mooie witte wolken en felle blauwe lucht. We zetten onze fiets tegen het hek en lopen de begraafplaats op. Samen turen we op de plattegrond in onze hand: vak vier, veld drie, drieënveertig. De plek is lastig te vinden omdat de steen is verwijderd, geruimd, zoals mijn moeder zei. Maar het graf met hem is er nog wel. Op een klein grasveld staan we stil. Dit is de plek. Hier ligt ons broertje. Het kleine veld is rechthoekig met hier en daar een grafsteen. Er staan hoge bomen. Mijn zuster houdt een kleine toespraak. Haar stem vol rust, kalmte en liefde. Ik zak door mijn knieën. Woel met vingers door het gras, totdat koele grond mijn hand rustig maakt.

De verliezende winnaar

5 november 1959

‘Peter? ‘Ja?’ Zijn stem klinkt alsof er stukjes grint in zijn mond zitten. Hij kijkt naar het papier voor zich waar allerlei cijfer staan. Keurige rijtjes onder elkaar. Als boekhouder houdt hij van cijfers. Hun rondingen, strepen, verbuigingen maar bovenal omdat ze hem rustig maken. Hun koele helderheid, hun eindeloze mogelijkheden bieden hem een horizon. Om naar toe te gaan, om achter te verdwijnen. ‘Peter, wil je hier even naar kijken? Zijn baas staat voor zijn bureau. Wanneer hij niet direct antwoord vervolgt hij: ‘Het moet vandaag wel de deur uit. Bedankt hè?’ Zijn woorden slingeren achter hem aan terwijl hij de kantoorkamer verlaat. Hij zucht en strijkt met zijn hand door zijn zwart golvend haar. Zijn heimelijke trots. Dan staat collega Franssens opeens naast hem. Met de voetbaltoto in zijn hand. Vanavond speelt het Nederlandse elftal tegen Noorwegen. Hij ziet allerlei vergelijkbare uitslagen: éen-éen, twee-éen, éen-twee enz. Hij pakt zijn pen en schrijft resoluut zeven-éen. Negeert de verbaasde blik van zijn collega. Een uur later verlaat hij het kantoor. Buiten blijft hij even met de fiets aan de hand stil staan.

Een kwartier later is hij thuis. Bij zijn twee kleine dochters en Jannie zijn vrouw. Jantje zoals hij haar soms liefkozend noemt. Het komt hem voor alsof zijn vrouw hem verwijtend aankijkt. Daar heeft ze ook wel reden toe. Zij draagt de last van een zware zwangere buik. De last van het groeiend kind in haar. Dat ze niet wenst, zo kort na de vorige. Hij overigens ook niet. Hij twijfelt sowieso over zijn rol als vader. Heeft angst dat hij het niet aankan. Niet waar kan maken. Wat is een goede vader? Hij heeft geen idee. Bovendien heeft hij genoeg aan zich zelf. Meer dan genoeg. Hij zucht, zijn schouders zakken. Vanuit zijn fauteuil kijkt hij naar zijn vrouw. Haar grijsblauwe ogen kijken langs hem heen.

Later die avond. Het eten is gedaan. De kinderen zijn naar bed. Het is stil op straat. Af en toe fietst er iemand voorbij. Geen voetgangers. Hij leest de krant, zijn krant ‘Het Vrije Volk’. Op de ronde kersenhouten tafel ligt een schrift met een vulpen op een opengeslagen bladzijde. Zojuist heeft hij de uitgaven van de afgelopen week opgeschreven. Het viel niet tegen. Vroeger zou hij met Jantje naar de bioscoop zijn gegaan. Hij ziet hoe ze stevig gearmd na afloop de bioscoop uitlopen en bij thuiskomst een oude krant op de eettafel uitspreiden. Hij hoort het pellen van de doppinda’s. De geur die langzaam omhoog stijgt. Pinda’s die langzaam in zijn mond heen en weer bewegen. De smaak. De kussen die zij beiden elkaar over de tafel heen geven.

Hij schrikt op van gekerm aan de andere kant van de huiskamer. Hij ziet zijn vrouw in elkaar gedoken zitten, haar handen klampen zich vast aan de tafelrand. Loopt op haar af. Slaat zijn armen om haar heen. Dat helpt niet. Ze vergaat van de pijn. Later komt er bloed, veel bloed. Even is hij in paniek. Dan rent hij naar de overkant van de straat waar een buurvrouw telefoon heeft. Een ambulance. Het ziekenhuis. De operatie. Macabere dans van leven met dood. Zijn vrouw overleeft, zijn zoon niet.

7 november 1959 Het is koud. De zon schuilt achter een half bewolkte hemel. De gevoelstemperatuur is onder nul. Hij trekt met één hand de kraag van zijn grijze winterjas omhoog. Zijn andere hand draagt het kistje. Het kleine rechthoekige kistje waar Peter in ligt. Zijn zoon, naar hem vernoemd. Het geluid van zijn voortstappende voeten doorbreekt de stille novembermorgen. Uit zijn mond komen kleine wolkjes damp. Dan heeft hij de plek bereikt. Naast het vers gegraven graf liggen kleine hoopjes zand. Hij voelt iets bitters in zijn mond. Het blijft steken in zijn keel. Net als woorden die hij niet kan zeggen. Hij knielt neer op zijn knieën. Zijn handen omklemmen het kistje. Zijn lippen proeven het ruwe hout. Proeven donkerheid. Hij legt zijn zoon in het graf.

9 november 1959 Op kantoor is het een komen en gaan van collega’s. In een langzame stoet schuiven ze langs zijn bureau. Hij hoort ze zeggen: ‘ we vinden het heel erg.. gelukkig heb je nog twee dochters.. hoe gaat het nu met je vrouw?’ Hij knikt, bedankt, schudt handen. Verdiept zich vervolgens weer in zijn werk met cijfers. Hij ervaart ze als ware vrienden. Zij blijven onveranderd hetzelfde. Voor altijd. Zijn houvast. Zijn troost. Er staat weer iemand voor zijn bureau. Zijn collega Franssens. Hij houdt een blikken trommel vast. Draait wat heen en weer, schraapt zijn keel en zegt: ‘Voor jou Peter. Je bent de winnaar van de voetbaltoto.’

proloog

Wolk, Hart, Liefde, Romance, Romantische

We lopen het pad af langs de sloot. De honden volgen op afstand. Laura’s mooie zwartbruine boerenherdershond en mijn kleinere peper-en-zout Schnauzer. Kikkers kwaken er lustig op los. Vogels zingen luidruchtig hun lied. Wij vertellen ons eigen verhaal. Over Laura’s ouders die kort na elkaar overleden. Net als de mijne, al is dat dertig jaar geleden. Ze vertelt ook over haar broertje. Haar broertje dat op tweejarige leeftijd is overleden. In mijn buik kruipt langzaam een wee gevoel naar omhoog

‘Dus zij ook’ denk ik. Dwaal weg van haar woorden. Denk aan mijn broertje. Die ik nooit heb gekend. Die een dag na zijn geboorte overleed. Waar nauwelijks over werd gepraat. Weggestopt in de kantlijn van ons bestaan. ‘Dus je snapt wel..’ Laura’s stem brengt mij terug. Ze vertelt over het gezamenlijk graf van haar ouders en die van het broertje verderop. Ongeveer drie meter. Zo dicht bij. Zo ver af. Met haar broer is ze langs verschillende instanties gegaan om ouders en broertje met elkaar te verenigen. Het was een lange tocht Maar het is gelukt. Ademloos slik ik haar woorden in. Verstop ze, diep in mij. Binnen mij raast een helse storm. Bloedrood. Alles kraakt, rukt en giert. Van buiten reageer ik beheerst. Knik instemmend. Mijn mond maakt kleine meelevende geluidjes.

Laura vertelt over het kleine antieke notenhouten kistje van haar ouders waar haar broertje in wordt gelegd. Over de piepkleine botjes, die zij in haar handen legt. Die zij zacht éen voor éen kust. Het speelgoedautootje. Bleekblauw. Zijn trouwe bondgenoot van al die voorbije jaren. Het verhaal gaat verder. Hoe het graf van haar ouders werd geopend en het kleine broertje tussen hen in wordt gelegd. Dan scheiden onze wegen. Tot een volgende keer wanneer we elkaar weer toevallig ontmoeten. Zo gaat dat met hondenmensen. Je loopt elkaars levens in en uit.

broertje

Vandaag start ik met de verhalencyclus over mijn broertje. Deze keer een gedicht. Over veertien dagen volgt een verhaal.

Wolk, Hart, Liefde, Romance, Romantische

Broertje

weggestopt verzwegen maar niet vergeten

ben jij broertje lief klein weerloos broertje

jouw hart heeft geklopt ons hart klopt voor jou

wij halen jou tevoorschijn zetten je in het licht adem lucht zon aarde wind

nu zijn wij samen Ida je jongste zuster Ineke je oudste zuster en jij lief broertje wij zijn nu samen

Goedemiddag

Wolk, Hart, Liefde, Romance, Romantische

Ik wil graag beginnen met iedereen te bedanken voor de vele positieve reacties die ik tot nu toe op mijn verhalen heb ontvangen. Daar ben ik blij mee en het stimuleert mij om verder te gaan met schrijven. Naast het delen van mijn verhalen dient mijn blog nog een ander doel. Ik wil jullie graag vertellen over mijn broertje. Mijn broertje is een dag na zijn geboorte gestorven. In ons gezin werd er nauwelijks tot nooit over hem gesproken. De laatste jaren ervaar ik met terugwerkende kracht verdriet. Een gevoel van gemis. Om hoe het geweest zou zijn om een broer te hebben.Om hoe tragisch het is om maar één dag te leven. Om nog wel meer redenen.

Vorig jaar zijn mijn zuster Ida en ik een zoektocht naar ons broertje begonnen.Daarover wil ik graag vertellen. Ik denk aan ongeveer acht verhalen, elk vanuit een andere invalshoek. Wat ik belangrijk vind om te zeggen is het volgende. Mijn ouders neem ik niets kwalijk. Vroeger werd vaak niet gesproken over moeilijke dingen. Ik denk dat het voor hun op dat moment de beste optie was. Volgende week start ik met verhalen met af en toe een gedicht. Ik wil aan jullie vragen om mee te lezen. Om de verhalen zelf maar vooral omdat jullie weten van zijn bestaan.