oase

green-light-on-traffic-light-pole-with-good-sun-light-and-tree-on-picture-id1058106276 (509×339)

Ik sta bij het kruispunt van de Paterswoldseweg en Parcourslaan. Auto’s  rijden langzamer wanneer ze mij naderen. Soms stoppen ze en blijven stilstaan. Wachten voor het rode stoplicht. Naast de weg zijn fietsers en andere voertuigen. Tegenwoordig zie je veel van die groene brommers, met jongens of meisjes waarvan de lange haren wijduit wapperen. Daarnaast heb je weer voetgangers, wandelaars of boodschappers met een tas in de hand die soms uitpuilt met pakken melk of een bos oranjewinterpeen met groen loof. Allemaal passeren ze mij. Blijven staan en kijken om zich heen. Kijken naar de lucht boven zich. Kijken  op hun kleine schermpjes waar ze pietputterig met hun vingers over heen en weer snellen. En soms dwalen hun ogen naar mij. Blijven even rusten of dwalen verder.

Ik vind het fijn wanneer ze naar mij kijken. Probeer mijn arm op te heffen om naar ze te zwaaien. Het lukt niet zo goed. Ik ben nogal stram van lijf en leden. Het is goed wanneer ze mij zien. Niet alleen omdat ik dat zelf leuk vind. Maar ook omdat ik een mini -mini rustpauze ben in hun leven. In hun snelle-sneller-snellere leven. Leven dat voortraast. Doordendert. Rondtolt. Ik sta stil. Altijd. Ik ben puur natuur. Bruin met op gezette tijden wat groen.

Soms waait de wind zachtjes door en mijn ledematen. Soms zwiept en buldert hij.

Ik wil dat je weet dat ik klaar sta voor jou. Wanneer je maar wilt. Ik ben een oase in jouw bestaan. Heel kort, heel even. Je vindt mij op het kruispunt van de Paterswoldseweg en de Parcourslaan. Vlakbij waar het Stadspark begint.

Ik ben een boom. Binnenkort tooi ik mij in mooi lentegroen.

Snoetschoetje

Snoetschoetje

Daar liggen we dan! Blauwwitje, Rosa en Goudblad. Schoongewassen, nog vochtig gekreukt te drogen op de vensterbank boven de verwarming. Het was hard nodig. We waren verworden tot smerig, aangekoekte snottelappen.  Wij staan in de frontlinie en knappen het vuile werk op. Des te merkwaardiger dat wij zo lang zijn verguisd. Becommentarieerd. Afgeserveerd. Maar goed, het tij is gekeerd. Nu zijn wij populair. Voor het afweren van ronddansende aerosolen.  Voor de gezondheid van onze drager. Wij gaan mee in hun jassen, bedekken de gezichten. We leggen heel wat kilometers af. Naar winkels en boswandelingen. Wij absorberen spanning en stress.  Adem in – adem uit.

Het is leuk om hier samen te zijn. Samen kletsen. Samen roddelen. Over dat onze eigenaars met ons  veel zelfbewuster ergens naar binnen gaan. Ze voelen zich veiliger hoewel het nog maar de vraag is of dat werkelijk zo is. Maar laat ze dat vooral denken.  

We vertellen over hoesters, proesters en kuchers.  Over voorzichtigers met hun schichtig heen en weer springende ogen, over slordigers en friemelende pulkers met onder de neus of kin half afgezakte doekjes. Onverschilligers met blote gezichten.

En dan onze soortgenoten. Van papier, bedrukt met bloemen of motieven. Maar niemand, niemand  is zo mooi als wij. Voel onze mooie zachte katoenen stof. Ons welgevormd model. Onze prachtige kleuren. Wij zijn een lust voor het oog.

Binnenkort is het zover. Dan wordt Kerst gevierd met de halve familie. Maar wij zijn voltallig , alle drie.

Sudderlapje

Vandaag is het 9 november, de verjaardag van mijn schoonmoeder. Zij zou dit jaar 96 zijn geworden.. Ik wil haar graag eren met dit verhaal.

Sudderlapje

‘Ik wil dat eten niet’, zegt ze met luide boze stem. Ze schuift het bord voor haar naar het midden van de grote tafel. De anderen, haar medebewoners lijken onverstoorbaar en eten gestaag hun bord verder leeg.

Mensen met de ziekte dementie ontroeren mij. Hun kwetsbaarheid, maar ook hun gevoel voor humor, plotselinge wisselingen van humeuren, blijdschap om een zachte aanraking.

Ze zeggen wat ze vinden, zijn boos, verdrietig of blij. Natuurlijk zijn daar ook nare momenten bij: verwarring, ongeremde boosheid of woede en angst of onzekerheid. Maar die momenten waaien over, als wolken in de lucht. En dan schijn zo maar weer even de zon.

Mijn schoonmoeder woont sinds een aantal weken in het verpleeghuis. Zij heeft vasculaire dementie en kan niet langer alleen wonen. De overgang van de eigen woning naar haar nieuwe onderkomen is gelukkig vrij soepel verlopen. Ze heeft het naar haar zin op haar nieuwe kamer met de eigen oude meubels en vele snuisterijtjes. Ook in de huiskamer vindt ze het gezellig met de andere bewoners.

Deze week nam het verzorgende contact met mij op. Het zou niet lekker lopen met de maaltijden. Of ik een keer aanwezig wilde zijn om het met eigen ogen te kunnen zien.

Ik pak het bord vast en beweeg het voorzichtig haar kant op. Dat valt helemaal verkeerd.

Ruw schuift ze het bord opzij. Een in jus gedrenkte aardappel en enkele rode bietjes komen naast het bord op de tafel terecht.

‘Mam’ probeer ik

‘Nee, nee, nee, ik wil die troep niet’

Ik sus, blus maar niets helpt.

‘Wat wil je wel?’

‘Ik wil het zelfde als zij allemaal’

Ha, nu is het duidelijk. Mijn schoonmoeder, een trouw vegetariër sinds een dertigtal jaren, krijgt een andere maaltijd dan de overige bewoners. Een maaltijd zonder vlees. En dat bevalt haar niet.

Ik loop de huiskamer uit en bel met mijn schoonzuster, ook vegetariër. We overleggen kort. Gelukkig is zij met mij van mening dat voortaan onze (schoon)moeder dezelfde maaltijd als de andere bewoners krijgt.

Even later heb ik het bord omgewisseld. Mijn schoonmoeder straalt.

Smullend smakt ze een stukje vlees naar binnen.

‘Mmm..  lekker  sudderlapje.’

De dwerg en sneeuwwitje

In deze coronatijd worden we overspoeld met negatieve berichten. Ik wil daarom vandaag een positief verhaal vertellen. Het sprookje van sneeuwwitje en de zeven dwergen. Sneeuwwitje is ziek zoals vele mensen nu. De zeven dwergen geven haar veel zorg en liefde. Maar is dat genoeg? Word sneeuwwitje weer beter? Het verhaal wordt verteld vanuit de kleinste dwerg Pedrev.

Dwerg, Snoep, Suiker, Zeven, 7, Zoete

De dwerg en Sneeuwwitje

‘Friemela  froemela  fuchsia

Bliezende blurrende  begonia’

Stevig doorstappend loopt de dwerg zingend de heuvel op. Wanneer hij de top in het vizier krijgt, wordt zijn gezicht opgelicht door de late, langzame namiddagzon. Uit zijn mond komen kleine ademwolkjes. Zijn, door stoere kaplaarzen omsloten voeten, buitelen haast over elkaar heen, omhoog omhoog!

Pedrev is de kleinste van de zeven dwergen van het boshuis uit het dal beneden. Iedere dag loopt hij om precies dezelfde tijd op precies dezelfde weg naar precies dezelfde bestemming.

Het is de hele dag een gaan en komen van alle dwergen. Iedere dwerg gaat op een vast tijdstip naar boven en later weer naar beneden.

Boven aanbeland ziet hij Roeski zitten op een kussentje met rozerode rozen. Naast hem staat een rugtas. De meeste dwergen nemen wat te lezen en te knabbelen mee om de tijd te doden. Pedrev heeft alleen een zakje bij zich waarin een doekje en een schroevendraaier zit.

Het is het moment van wisseling van de wacht. Roeski aanvaardt de terugtocht en verdwijnt langzaam uit het zicht. Pedrev wacht nog even en pakt dan het zakje en haalt langzaam, heel langzaam de schroevendraaier tevoorschijn. Dit is een groots moment. Hij kijkt naar de kist en werpt een blik door het glazen deksel. Zijn gezicht straalt. Daar ligt ze, Sneeuwwitje, zijn Sneeuwwitje, lijkbleek in de kist.

Hij draait de zeven schroeven van het deksel los, kijkt om zich heen, kijkt nog een keer, opent het deksel en kruipt vliegensvlug naar binnen. Hij maakt zich klein en nestelt zich in haar oksel. Later drukt hij een zacht kusje op haar voorhoofd en verlaat de kist. Weer later loopt hij langzaam, langzaam de heuvel af.

De volgende dag.

Pedrev wordt wakker van lawaai. Hij kan het niet plaatsen. Wanneer hij zijn ogen opent ziet hij de dwergen. De gezichten versierd met rode blosjes, felle ogen en met veel geroep dansen ze de kamer rond. Adruktis schreeuwt hem toe:

‘Sneeuwwitje leeft, ze leeft… ze gaat trouwen met de prins, haar redder, leve Sneeuwwitje’

‘Sneeuwwitje, nee! nee!  nee! , ze was toch zijn prinses? ‘ Het wordt Pedrev gitzwart voor de ogen.

Hij voorziet een lang en ellendig leven.

Natuurlijk trouwt Sneeuwwitje met de prins. Ze wonen in een prachtig paleis, met deurknoppen van goud, diamanten raamkozijnen, fluwelen deuren en eten elke dag taartjes vol heerlijke vruchten met een toef slagroom. De prins is de liefste, mooiste, aardigste man van het hele land en houdt met heel zijn hart van Sneeuwwitje.

Haar hart, of liever gezegd, haar linker oksel voelt echter koud en leeg aan. Ze probeert de leegte met alles te vullen; een kruik, een heus okselkussentje, het helpt niet. De prins hevig verontrust, belegt een vergadering met de knapste professors, het helpt niet.

‘Friemela froemela fuchsia

Bliezende blurrende begonia’

Helder klinkt de stem van Pedrev terwijl hij in gezwinde pas het paleis nadert. Vannacht vertelde de droom hem onmiddellijk Sneeuwwitje te bezoeken. Hij is benieuwd maar vooral verlangend haar weer te zien. De lakei met witte pruik en glanzende hoge laarzen brengt hem naar de slaapkamer, waar Sneeuwwitje lusteloos naar zich zelf in de spiegel staart.

En dan gebeurt het. Sneeuwwitje spreidt haar armen en met een vreugdekreet springt Pedrev omhoog naar het welbekende heerlijke plekje. Vanaf deze dag ligt Pedrev elke ochtend, om precies dezelfde tijd (wanneer de prins het bed verlaat) op precies het zelfde plekje. En hij leefde nog lang en gelukkig.

AFTER DINNER

After-dinner

De stemmen gonzen als bijen rond zijn hoofd.  De gasten, vrienden,  hebben genoten van het eten. De begeleidende witte en rode wijn versterkt het voldane gevoel. Er heerst een lome, doezige stemming.

Nu is het zijn beurt. Olaf staat op en loopt rustig naar de keuken. Liefkozend raakt hij in het voorbijgaan het apparaat aan. Vanuit zijn linker ooghoek ziet hij een paar vlekjes, kleine oneffenheden. Hij pakt een schone doek en poetst het weer schoon. Alles blinkt en glimt. Zijn hart zwelt, met een trotse blik kijkt hij naar zijn espressomachine.

De kopjes, verschillend van kleur, worden met kokend water gevuld op het aanrecht gezet. Hij weet al precies wie welk kopje krijgt. Hij draait het deksel van de koffiemolen open. De diepdonkere geur van de Colombiaanse koffiebonen, stijgt hem naar het hoofd.

Met het borsteltje verwijdert hij koffiedrap uit de filter aan de rechterkant van de machine. De bonen maalt hij ruim voorbij stand zes, iets minder dan stand zeven. Hij let goed op dat de kopjes tot op juiste hoogte met koffie worden gevuld. De kopjes worden gedroogd en op een van tevoren klaargelegd keukenrolpapiertje gezet.

Tevreden kijkt hij naar het dunne crème-bruine schuimlaagje op de bovenkant van de koffie, vol, romig en een beetje vettig.

Hij gunt zijn gasten het allerbeste, hij draagt ze een warm hart toe.

Madelieven

Madeliefje, Bloem, Bloesem, Witte, Bellis Filosofie

heet het verhaal voor vandaag. Bedankt voor jullie reacties op mijn vraag voor nieuw schrijfvoer. Vandaag dit verhaal dus, met het thema hond-baas. Er zijn nog andere opties, waarover ik kan en ga schrijven. Maar eerst nu graag jullie aandacht voor…

Madelieven

Stap        stap            stap Stap- stap –stap- stap- stap Mijn baas is een lieve bazin. Maar ze loopt wel snel. Heel snel. Altijd in de starthouding. Op weg naar het éen of ander. Vaak naar feestjes. Mijn bazin is dol op feestjes. Op dansen. Mensen weten haar wel te vinden. Komen graag bij haar. Ze is gul. Gul in het geven. Ook aan mij. Ik houd van haar. Maar ik ben niet blind voor haar foutjes. Neiging tot een beetje slordigheid tot verdriet van haar man. Te volle agenda’s. Soms denk ik wel eens ‘ze rent haar leven voorbij’. Maar dat vindt zij niet. Zij geniet, zij leeft het leven. Ik probeer haar soms af te remmen, loop met mijn lome langzame hondenpassen. Het helpt niets.

S ’nachts hoor ik haar wel eens zuchten. Of hoor ik de zoveelste bladzijde van een boek omslaan. Met enige regelmaat staat ze op. Dat is fijn want dan word ik uitgebreid geaaid en beknuffeld. En dan hebben we tijd voor een goed gesprek. Zij vertelt. Ik luister. Over haar zorgen die er soms ook zijn. Door mij wordt ze weer rustig. Voor mij is het een kleine moeite. Mijn aanwezigheid is al voldoende. Haar hand beweegt langzaam over mijn rug. Langzaam, langzamer. Traag. Houdt stil op mijn kop. Dan kom ik in actie. Ik geef haar een volle lik over haar hand. Het liefst over haar gezicht, maar daar houdt ze niet van. Voor mij zijn de nachten ook niet altijd een pretje. Ik word helaas geplaagd door een aantal kwalen, ik ga ze hier niet noemen. Maar vooral s ’nachts word ik regelmatig belaagd door ongewenste oprispingen en onwelriekende geuren. Mijn bazin is er dan altijd voor mij. Ze klaagt niet, ruimt op en spreekt lieve woordjes tegen mij.

Binnen in mij is een stil verlangen Een verlangen naar vroeger, toen mijn bazin nog een jong meisje was. Een vrolijk huppelend kind dat soms languit in het gras ligt. Met armen boven haar hoofd. Zij kijkt naar boven. Naar de blauwe lucht. Naar witte wolken die langzaam voorbij drijven. Naar de zon die haar ogen een beetje doet dichtknijpen. Ik lig naast haar, met uitgestrekte poten. Ik kijk naar haar. Haar tong steekt een stukje uit haar mond. Vol aandacht houdt ze madeliefjes in haar hand. Ze prikt een klein gaatje in de stengel en steekt er een ander madeliefje doorheen. En nog éen, en nog éen. Totdat er twee bloemenkransen zijn. Eén voor haar, éen voor mij. Ik moet zeggen dat de wit-gele madelieven mooi kleurt bij mijn diepzwarte vacht. We staan op. Ik leg mijn poten op haar schouders. We maken een dansje.

Goedemiddag

Wolk, Hart, Liefde, Romance, Romantische

Ik wil graag beginnen met iedereen te bedanken voor de vele positieve reacties die ik tot nu toe op mijn verhalen heb ontvangen. Daar ben ik blij mee en het stimuleert mij om verder te gaan met schrijven. Naast het delen van mijn verhalen dient mijn blog nog een ander doel. Ik wil jullie graag vertellen over mijn broertje. Mijn broertje is een dag na zijn geboorte gestorven. In ons gezin werd er nauwelijks tot nooit over hem gesproken. De laatste jaren ervaar ik met terugwerkende kracht verdriet. Een gevoel van gemis. Om hoe het geweest zou zijn om een broer te hebben.Om hoe tragisch het is om maar één dag te leven. Om nog wel meer redenen.

Vorig jaar zijn mijn zuster Ida en ik een zoektocht naar ons broertje begonnen.Daarover wil ik graag vertellen. Ik denk aan ongeveer acht verhalen, elk vanuit een andere invalshoek. Wat ik belangrijk vind om te zeggen is het volgende. Mijn ouders neem ik niets kwalijk. Vroeger werd vaak niet gesproken over moeilijke dingen. Ik denk dat het voor hun op dat moment de beste optie was. Volgende week start ik met verhalen met af en toe een gedicht. Ik wil aan jullie vragen om mee te lezen. Om de verhalen zelf maar vooral omdat jullie weten van zijn bestaan.

Das kleine Wohnzimmer

Vandaag het tweede deel van het tweeluik

2 Das kleine Wohnzimmer

Men spreekt vaak over onderbuikgevoelens, maar ik weet wel beter.Als ‘Stubesofa’ ontvang ik bewoners en gasten van dit huis, allen nemen plaats op mij. Geloof me maar: billen zijn de ware zetels van onze gevoelens en emoties. Neem bijvoorbeeld Papa Deters. Vandaag is hij onrustig. Gewoonlijk heeft hij een rustige zit, maar nu draait hij steeds langzaam naar links en trekt zijn linkerschouder omhoog. Hij is gespannen. Dat is vanwege de komst van die ‘Holländerin’. Hij schaamt zich altijd nog voor de oorlog. Hij heeft zelf niet meegevochten, is zelfs gedeserteerd en heeft daar veel onder geleden. Maar toch, hij heeft gehoord dat de ouders van het meisje in een kamp hebben gezeten. Hij wordt rustiger na het drinken van zijn rauw geklopt ei, dat hij elke morgen stipt van mama Deters krijgt.

Ja, ik speel een centrale rol hier in dit huis auf dieser Strasse. Het echte leven speelt zich hier af. Hier in deze kleine woonkamer van dit grote huis. Er wordt gegeten, gedronken, gesproken, soms vallen er harde woorden. Gisteren nog, toen papa voor de zoveelste keer naar de kelder liep om te controleren of de verwarming nog moest worden bijgevuld met steenkool. Iedereen weet dat hij dan stiekem een slokje Schnaps drinkt.  Eigenlijk valt daar niemand over want hij drinkt verder weinig. Maar mama had waarschijnlijk een slecht humeur vanwege het een of ander, misschien ook wel omdat ze opzag tegen vandaag. Wie zal het zeggen? Gelukkig wordt er ook vaak gelachen en kusjes op elkaars wang gegeven. Meestal gaat alles volgens een gestaag dagritme, daar houd ik wel van. Ik woon hier al vele jaren en word steeds mooier. Mijn bordeauxrode kleur verdiept en verdonkert. Het komt door de vele emoties van de bankzitters, die zich vermengen met mijn eigen kleur. Ik ben de ontvanger van gedrukte, bedrukte, soms onderdrukte gevoelens van mijn gasten. Veerkrachtig als ik ben, geef ik zachte opwaartse duwtjes en strijk zo ontstane plooien weer glad.Maar vandaag is alles anders. ‘Das Mädchen’, zegt de man. ‘Aber Papa du weißt doch’, zegt de vrouw. ‘Hört auf, ihr beide’, zegt de zoon, die de kamer binnenkomt en zijn ouders tegen elkaar hoort praten. ‘Aber doch’,  zegt de man. De zoon legt met een armgebaar zijn vader het zwijgen op. Gedrieën zitten ze op mij. De man aan de korte zijde, de moeder en de zoon aan de andere langere kant. Ze kijken vaak naar de klok. De klokt tikt rustig in haar eigen ritme de tijd voorbij.Dan is het tijd. Vader en zoon staan gelijktijdig op en lopen de kamer uit. De moeder gaat bij ‘das kleine Fenster’ staan. Ze bukt zich en trekt met de linker hand, het lange aan de onderkant gekartelde vitrage, omhoog. Ze ziet de auto de straat uitrijden.

Ze gaat weer zitten. Met de ellebogen op de tafel ondersteunt ze haar hoofd.  Ze kijkt voor zich uit. Op de wand tegenover staat een voor deze kleine ruimte een reusachtig ‘Fernsehapparat’. Daar boven een kleine houten Jezus aan het kruis. Later, veel of weinig later, hoort ze een auto rijden in de straat. Hij stopt. Ze hoort stemmen, het geluid van de sleutel die de deur ontsluit. En dan komen ze de kamer binnen.Het meisje draagt een korte witte jurk. De zoon houdt haar hand vast. Ik zeg niets. Voordat zij gaat zitten probeert ze met beide handen de onderkant van haar jurk  naar beneden te trekken. Dwars door haar kracht en kwetsbaarheid voel ik beweeglijkheid. Mijn welkom is haar zo comfortabel mogelijk te laten zitten.